DE OORSPRONG EN BETEKENIS VAN DE TYPENAAM 'LUXE MOTOR'
Dit artikel verscheen eerder in twee delen in het blad van Vereniging De Binnenvaart.
Binnenvaart, 33e jrg., april 2024, Deel 1.
Binnenvaart, 33e erg., juni 2024, Deel 2.
INHOUD
- DE TYPE-OMSCHRIJVING ‘LUXE MOTOR’ WAS NIET OVERAL IN NEDERLAND GEBRUIKELIJK
- DE TYPENAAM ‘LUXE MOTOR’ IN ADVERTENTIES VAN KRANTEN EN WEEKBLAD SCHUTTEVAER
- EERSTE VERKLARING TERM ‘LUXE MOTOR’: DE OVERGANG VAN KRAP NAAR RUIM
- TWEEDE VERKLARING TERM ‘LUXE MOTOR’: DE OVERGANG VAN ARMOEDIG NAAR LUXUEUS
- DERDE VERKLARING TERM ‘LUXE MOTOR’: DOOR DE MOTOR ALTIJD DIRECT KUNNEN VERTREKKEN IN PLAATS VAN WACHTEN OP GOEDE WIND OF SLEEPBOOT
- VIERDE VERKLARING TERM ‘LUXE MOTOR’: DE OVERGANG VAN STUREN BUITEN NAAR STUREN BINNEN.
- VIJFDE VERKLARING TERM ‘LUXE MOTOR’: DEZE MOET ZIJN OVERGESPRONGEN VAN PLEZIERVAARTUIG NAAR VRACHTVAARTUIG
- DE BOUW VAN MOTORSCHEPEN MET STUURHUT ÉN ROEF BEGON EERDER DAN 1920
- MOTORSCHEPEN MET ROEF ÉN STUURHUT GEBOUWD VÓÓR 1915
- 1914 ELIZABETH
- 1914 GRUNO
- 1913 TIJDGEEST
- 1913 SCHELDESTROOM
- 1912 IMELDA
- 1912 JANSKE
- 1911 LIÈGE I
- 1911 KONING ALBERT
- 1910 MOEDER EMMA
- 1910 WERRA
- 1909 DE VROUW ANNETJE
- 1909 ENERGIE
- 1909 SOPHIA
- 1908 TIJDGEEST
- 1908 HOUTHANDEL III
- 1907 WILHELMINA
- 1906 JOHANNA
- 1904 ADVENDO III
- 1901 PRINS HENDRIK DER NEDERLANDEN
- CONCLUSIE
Afbeelding 1. Motorschip Atalanta circa 1930 bij de scheepslift te Henrichenburg (D) [Collectie K.T.]
1. DE TYPE-OMSCHRIJVING ‘LUXE MOTOR’ WAS NIET OVERAL IN NEDERLAND GEBRUIKELIJK
In 1991 stuurde ik deze foto naar Weekblad Schuttevaer voor de rubriek Die Goede Oude Tijd.[1] Inderdaad, lang geleden. Ik beschreef het in 1923 voor mijn grootvader gebouwde motorschip Atalanta en vermeed bewust de term ‘Luxe Motor’. Het schip mat 234 ton. De afmetingen waren 35.20 bij 5.99 meter.
Kortom ‘een forse luxe motor’ schreef prompt de samensteller van de rubriek.[2] Al eerder had ik mijn ooms Bas Touw (1903-1986), Klaas Touw (1906-2003) en ook mijn vader Lies Touw (1910-2007) gevraagd of ze de Atalanta een Luxe Motor noemden. Het antwoord van elk afzonderlijk was kort maar zeer duidelijk: ‘Nee.’ Of ze collega’s kenden die dit soort schepen vroeger luxe motors noemden. Opnieuw luid en duidelijk: ‘Nee.’ De term Luxe Motor kenden ze wel maar eigenlijk alleen maar uit weekblad Schuttevaer. ‘Hoe noemden jullie dit type schip dan?’
‘Nou, gewoon een motorschip of liever gezegd een motor zonder meer.’ Een kleiner formaat werd dan een motorscheepje of een motórekke. Dat laatste klonk zo omdat ze oorspronkelijk uit Bergen op Zoom kwamen. Verder kenden ze de beurtmotor. Ook de ‘Belzemotor’ werd genoemd.[3] Vaak met veel minder zeeg en ronde luiken. Al deze motorschepen kwamen voor in allerlei maten en kenden veel verschillen in uitvoering.
Kees Keizer, oud-schipper en een van de moderators van het Binnenvaartforum, vertelde dat hij zijn vader Arie Keizer (1909-1985), schipper uit Stad aan het Haringvliet, ook nooit over een luxe motor had horen spreken.[4]
Pieter Klein, de man achter de rubriek binnenvaarttaal op de site van vereniging De Binnenvaart, schreef dat de term vermoedelijk pas in de jaren vijftig is ontstaan.[5] Zijn oudste bewijs in druk droeg het jaartal 1959.
[1] Weekblad Schuttevaer 23-11-1991
[2] Waarom de Atalanta een fors schip werd genoemd is niet bekend. Er waren in 1930 aardig wat grotere motorschepen in de vaart die wel 12 tot 15 meter langer waren. N.B. dat waren geen verlengde schepen.
[3] Belgische Motor
2. DE TYPENAAM LUXE MOTOR IN ADVERTENTIES VAN KRANTEN EN WEEKBLAD SCHUTTEVAER
Op het moment dat er in tijdschriften en kranten de term luxe motor opduikt moet het zeer waarschijnlijk toch al langer bij schippers hebben rondgezongen.
Harry de Groot (1951-2022), bekend auteur van veel boeken over de Nederlandse binnenvaart, dacht dat het een typisch geval van ‘schipperstaal’ was en schreef dat scheepsbouwers de naam in ieder geval niet bedacht hadden. In advertenties van werven had hij de term ‘Luxe Motor’ nooit aangetroffen.[1]
Wanneer ‘Luxe Motor’ als schipperstaal beschouwd moet worden dan rijst toch de vraag: van welke schippers dan? Uit het voorgaande blijkt dat het niet de schippers waren uit Zeeland, Noord-Brabant of uit wat men nu de Randstad noemt.
Er zijn nu dankzij Delpher, de zoeksite van de Koninklijke Bibliotheek waar mee oude kranten, tijdschriften en boeken te doorzoeken zijn, verschillende advertenties en berichten tevoorschijn gekomen waaruit blijkt dat zo goed als zeker de term ‘Luxe Motor’ zijn oorsprong heeft in de Noordelijke provincies.
[1] Zie het Binnenvaartforum in het onderwerp Luxe motors, 3 dec. 2013.
Afbeelding 2. Weekblad Schuttevaer, 12-11-1949
In weekblad Schuttevaer stond op 12 november 1949 een advertentie dat er door de Groningse scheepsmakelaar Middendorp een Luxe Motorschip van 50 ton aangeboden werd.[1] Dan moet hij ervan hebben uitgegaan dat zijn doelgroep wist wat hij bedoelde met Luxe Motorschip.
De in Amsterdam gevestigde scheepsmakelaar E. Hut & Co bood op 27 augustus 1949 een prachtig onder klasse gebouwd luxe Motorschip, uitgerust met een 80 pk Kromhout diesel aan om te ruilen voor een luxe Motorschip van ± 225 à 275 ton.[2]
Hierboven heb ik net verkondigd dat de term Luxe Motor in wat men nu de Randstad noemt niet gebruikelijk was. Scheepsmakelaar Hut was zeer waarschijnlijk afkomstig uit Groningen. Er voeren aardig wat Groningse schippers rond met deze achternaam.
Weer iets eerder was er in Schuttevaer een advertentie geplaatst waarin een luxe motorschip van 122 ton te koop werd aangeboden.
[1] Weekblad Schuttevaer, 12-11-1949.
[2] Weekblad Schuttevaer, 26-03-1949
Afbeelding 3. Weekblad Schuttevaer, 16-08-1947
In 1946 wilde iemand zijn modern winkelhuis en Rijwielhandel en IJzerhandel met een nieuwe werkplaats uit 1946, waarin een zandstraalapparaat en een moffelinrichting, gelegen aan de Hoogeveense vaart ruilen tegen Luxe Motorschip van ca 150 ton.[1]
In de Schuttevaer van 4 augustus 1945 vraagt schipper W. van Dijk uit Kampen waar zijn door de Duitsers in beslaggenomen schip gebleven kan zijn. Hij is op zoek naar zijn luxe Motorboot Johanna, 133 ton groot.[2]Hij had dit in 1924 gebouwde motorschip in 1936 gekocht. Daarvoor voer hij op een 114 ton grote motortjalk eveneens Johanna genaamd.
[1] Weekblad Schuttevaer, 05-10-1946
[2] Weekblad Schuttevaer, 04-08-1945
Afbeelding 4. Weekblad Schuttevaer, 04-08-1945
Afbeelding 5. Nieuwsblad van het Noorden 06-06-1941
Het oudste bericht dat ik heb aangetroffen was een advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden op 6 juni 1941.
De tientallen andere advertenties uit de dertiger jaren waarin vaartuigen te koop of te huur werden aangeboden met de toevoeging ‘luxe’ waren allemaal pleziervaartuigen. Duidelijk is dat de Noordelijke schippers en scheepsmakelaars met hun advertenties in weekblad Schuttevaer een belangrijke rol hebben gespeeld in het propageren en verspreiden van de term ‘Luxe Motor’. Blijft over de vraag wat maakt een motorschip een ‘Luxe Motor’.
3. EERSTE VERKLARING TERM LUXE MOTOR: DE OVERGANG VAN KRAP NAAR RUIM
Aardig wat auteurs op het gebied van de geschiedenis van de binnenscheepvaart hebben een verklaring gezocht voor de term ‘Luxe Motor’. Ik noem schrijvers als Henk Bos, Harry de Groot en Frits Loomeijer. Meestal komt het erop neer dat er op het nieuwe motorschip meer ruimte was in het frisse bovendekse woongedeelte met grote ramen dan in het bedompte onderdekse woongedeelte van het oude schip dat verlaten werd. Dat dat als luxe werd ervaren is te begrijpen. Het klopt in zoverre alleen wanneer men daadwerkelijk van een dergelijk klein schip naar een groter motorschip overstapte.
Afbeelding 6. Reclame ansichtkaart circa 1909 van scheepswerf H. & D. de Goede te Zwartsluis.
Jammer genoeg is er nooit onderzoek gedaan van welk soort schip de startende motorschipper afkwam. De enkele voorbeelden waarvan ik weet heb laten zien dat er veel variatie in de schepen zat die werden ingeruild voor een motorschip.
De een was opgegroeid op een houten hektjalk, begon voor zichzelf op een eenmastklipper en liet in 1914 een motorschip met roef en stuurhut van 150 ton bouwen.[1] De ander, een schipper uit Willemstad, was begonnen op een klipper en liet deze in 1922 motoriseren. Na ombouw mat het 125 ton. In 1925 liet hij een nieuw motorschip van 128 ton bouwen.[2]
Bijzonder was de carrière van de visser die in 1917 stopte met vissen en als schipper begon op een tweedehands paviljoentjalk van 73 ton, daarna in 1924 een 180 ton groot motorschip overnam en in 1927 een nieuw motorschip van 360 ton liet bouwen.[3]
Mijn grootvader ruilde in 1923 zijn klipper van 231 ton in voor een nieuw motorschip van 234 ton. [4] Dan was er ook nog een die van een klipper van 172 ton kwam en in 1930 ging varen met een nieuw motorschip van 175 ton.[5] De laatste twee gingen er waarschijnlijk op achteruit qua woning. Op klippers zat al een behoorlijke roef en die hadden ook nog een achteronder. Dat was op een motorschip om begrijpelijke redenen niet mogelijk.
Laten nou net al de hierboven genoemde schippers allemaal schippers zijn die hun schip nooit een ‘Luxe Motor’ noemden.
[1] J. Th. Schot (1861-1938) te Bergen op Zoom. https://www.jouwweb.nl/v2/website/839371/editor/page/3193895?utm_source=(direct)&utm_medium=(none)&utm_campaign=(not%20set) Zie SCHOT 1 sub IV e.
[2] D.G.G. van Os (1870-1938) Zie: Kees Touw, ‘Schepen en Schippers van Willemstad (1800-1950), Ravelyn, Heemkundekring De Willemstad, 40e jrg., nr. 3, dec. 2022, p.23.
[3] D.J. de Haas (1888-1962) te Bergen op Zoom. https://www.jouwweb.nl/v2/website/839371/editor/page/3196257?utm_source=(direct)&utm_medium=(none)&utm_campaign=(not%20set) Zie DE HAAS 2 sub V f.
[4] C.J. Touw (1876-1944) te Bergen op Zoom. https://www.jouwweb.nl/v2/website/839371/editor/page/3195089?utm_source=(direct)&utm_medium=(none)&utm_campaign=(not%20set) Zie TOUW 2 sub IV e.
[5] J.H. de Haas (1873) te Bergen op Zoom. https://www.jouwweb.nl/v2/website/839371/editor/page/3196257?utm_source=(direct)&utm_medium=(none)&utm_campaign=(not%20set) Zie DE HAAS 2 sub IV g.
Mochten de hierbovenstaande linken niet werken kopieer dan de link en plak die in de adresbalk.
4. TWEEDE VERKLARING TERM LUXE MOTOR: DE OVERGANG VAN ARMOEDIG NAAR LUXUEUS
De tweede verklaring heeft te maken met het feit dat roeven van Luxe Motors met kostbare houtsoorten waren betimmerd. Dat laatste zal best bij enkele schepen zijn voorgekomen maar het merendeel van de betimmeringen van de roeven zal hebben bestaan uit goedkopere houtsoorten die werden geschilderd of gehout.[1] Bij houten had men bijvoorbeeld de keus tussen eiken of mahonie. Wanneer het door een vakman was gedaan zag men niet of nauwelijks dat men te maken had met namaak.
Dat er roeven waren die met kostbare tropische houtsoorten waren betimmerd dat ontken ik niet. Ik heb zelf zulke roeven gezien. Kast- en andere deuren hadden brede mahoniehouten panelen die een teakhouten omlijsting hadden. Een marmeren schoorsteen ontbrak dan niet.
Nogmaals, dit waren uitzonderingen.
[1] ‘Houten’ is het aanbrengen van een houtimitatieschildering waarmee de nerven werden aangebracht met metalen kammen. Houtpatronen werden aangebracht met langharige daskwasten. Naast houten bestond er ook ‘marmeren’. In de jaren zeventig van de vorige eeuw vertelde een oude huisschilder me dat er vroeger ook ‘zeilen’ bestond. Dan werd er op de vloer een ongeveer 40 centimeter brede band langs de wanden geschilderd in een basiskleur. Na droging werden kinderen gevraagd met hun tenen uit een schoteltje wat verf op te nemen om daarna op hun tenen langs de plinten te gaan trippelen. Elk kind een andere kleur. Zo ontstond er een imitatie van een zeil. Na droging kwam er vernis op. Het niet bewerkte stuk vloer werd afgedekt met een mat. Dit alles in een tijd dat materiaal duur en arbeid goedkoop was.
5. DERDE VERKLARING TERM LUXE MOTOR: DOOR DE MOTOR ALTIJD DIRECT KUNNEN VERTREKKEN IN PLAATS VAN WACHTEN OP GOEDE WIND OF SLEEPBOOT.
Het motorschip met roef én stuurhut ontstond in een tijd dat er nog veel gezeild werd. Schippers met sleepschepen moesten altijd enige tijd wachten voor dat er een sleepboot hen kwam ophalen. Voor een zeilschipper was het altijd een dilemma. Wachten we nog een dag of meer op goede wind of bestellen we een sleepboot. Dan was toch altijd weer afwachten totdat die verscheen. Op een gemotoriseerd schip bepaalt de schipper zelf wanneer er wordt gevaren. Ook dit kon als luxe worden ervaren.
6. VIERDE VERKLARING TERM LUXE MOTOR: DE OVERGANG VAN STUREN BUITEN NAAR STUREN BINNEN.
Veel van de luxe motors die in de advertenties in de veertiger jaren werden aangeboden waren beneden de 100 ton. De maten van 50 tot 65 ton komen regelmatig voor. Toch werden dat ook luxe motors genoemd. Dat spoort niet helemaal lekker met de ruime roeven die de Luxe Motors zouden hebben. Want meet maar na. Een Luxe Motorschip van 50 ton, 20.68 x 3.67 x 1.40 m. Hoe riant zal die roef geweest zijn?[1]
Het enige dat overblijft om een motorschip een Luxe Motor te noemen is de stuurhut. Ook anderen hebben al eerder opgemerkt dat dit een rol kon spelen. Eigenlijk is het logisch. Op een snel varend motorschip voel je als je buiten staat ook als het windstil is de wind in je haar. Dankzij de stuurhut nooit meer sturen in de open lucht, geen regen of buiswater meer recht in je gezicht. Om over kou nog maar niet te spreken. Dat werd als zeer comfortabel, als luxe ervaren.
Was de benaming Luxe Motor ontstaan in de Noordelijke provincies en aanvankelijk streekgebonden, na de Tweede Wereldoorlog is de term onder meer door weekblad Schuttevaer landelijk nogal gepropageerd. Zo sterk zelfs dat tegenwoordig alles wat een kont heeft als een vroegere sleepboot, de stuurhut voor de roef heeft en voorzien is van een kop met een rechte steven een Luxe Motor heet.
[1] Weekblad Schuttevaer, 26-03-1949
Afbeelding 7. Onbekend Nederlands motorschip in Limburg an der Lahn. Het lost hier balen meel voor ‘Bäckereigenossenschaft Limburg’. De stuurhut staat los voor de roef.
[Foto anoniem. Datering na 1918, vroege jaren twintig. Gepubliceerd op 11 mei 2016 in de rubriek Schiffahrt auf der Lahn op https://www.binnenschifferforum.de/showthread.php?58015-Schiffahrt-auf-der-Lahn&p=439975#post439975 Op de achtergrond de Dom.
Alles wijst erop dat de term luxe motor niks te maken heeft met de grootte of de luxe betimmering van de roef maar alles met de aanwezigheid van een stuurhut. Nu vinden we een stuurhut de normaalste zaak van de wereld. Maar er is een tijd geweest waarin dat anders lag. Als schipper moest je niet alleen je ogen maar ook je oren goed kunnen gebruiken. Velen vonden dat je dan niet binnen moest staan. Het heeft heel lang geduurd voordat de stuurhut op binnenschepen gemeengoed werd. Een stuurhut op een nieuwgebouwd motorschip was in het begin van de twintigste eeuw niet minder dan revolutionair. Nu moeten we ons niet al te veel voorstellen van het formaat van die stuurhutten. Gemiddeld was de breedte van de stuurhut te stellen op een derde van de scheepsbreedte. Dit is gebaseerd op de onderzochte werftekeningen. Dus op een motorschip van 4.80 m. breed was de breedte van de stuurhut 1.60 m. Ook op oude foto’s is goed te zien dat de eerste generatie motorschepen opvallend kleine stuurhutten hebben.
7. VIJFDE VERKLARING TERM LUXE MOTOR: DEZE MOET ZIJN OVERGESPRONGEN VAN PLEZIERVAARTUIG NAAR VRACHTVAARTUIG.
Deze hieronder voorkomende berichten en advertenties maken het duidelijk dat zeker vanaf circa 1900 met de term ‘Luxe Motorboot’ of ‘Luxe Motor’ geen motorvrachtschip werd bedoeld.
Afbeelding 8. Anoniem 1904/05. Voorbeeld van een luxe motorboot begin twintigste eeuw. [Directiemotorboot Oog in Al, de Vleutense Wetering langs de Kanaalweg te Utrecht. 1904-05 tijdens bouw 2e schutsluis op het Merwedekanaal bij Utrecht. Cat.nr. 125928 Beeldbank (Het Utrechts Archief.] De Oog in Al is in 1904 gebouwd op de werf “Nicolaas Witsen” van firma W.F. Stoel & Zoon te Alkmaar voor Rijkswaterstaatwerk bij Utrecht.
Afbeelding 9. Opgave gebouwde schepen per werf in De Ingenieur van 9 juni 1906
De vereniging tot bevordering vreemdelingenverkeer te Harlingen organiseerde in 1913 niet alleen een zeilwedstrijd voor jachten, boeiers, vracht-, beurt- en vissersschepen, er waren ook motorwedstrijden voor luxe- en vrachtmotorschepen.[1] Ingeschreven waren 15 luxe-motor- en 7 vracht-motorschepen.[2]
[1] Leeuwarder courant, 07-06-1913
[2] De Courant, 17-06-1913
Afbeelding 10. Aankondiging in de Leeuwarder courant 7 juni 1913
Werf Pannevis maakte vrachtmotorboten en daarnaast ook stalen luxemotor-, stoom- en zeiljachten.[1]
Makelaar H. Nieveen te Amsterdam bood in een advertentie motorvrachtboten te koop aan. Van 25 ton grootte tot 114 ton. Onderaan stond apart ‘luxe motor en zeiljachten’.[2]
[1] Adressen van fabrieken in Nederland, 1915-1920
[2] Schuttevaer, 03-11-1917
Afbeelding 11. Stalen luxe motorboot gebouwd op de werf ‘Nicolaas Witsen’ van W.F. Stoel aan de Eilandwal te Alkmaar. [Collectie Regionaal Archief Alkmaar, fotonr. FO 1010929.]
Zoals het er nu naar uitziet werd voor de Tweede Wereldoorlog, in ieder geval in advertenties, met Luxe Motorboot bijna altijd een pleziervaartuig bedoeld. Soms betrof het een rondvaartboot maar nooit een motorvrachtschip
Einde deel 1
Begin Deel 2
8. DE BOUW VAN MOTORSCHEPEN MET STUURHUT ÉN ROEF BEGON EERDER DAN 1920
De meeste auteurs laten de Nederlandse motorvrachtvaart weliswaar beginnen met de beurtvaartmotorschepen maar schakelen al snel over naar het type motorschip dat bekend is geworden als de Luxe Motor. Dit type schip was vooral populair bij de particuliere schipper die de vrije vaart beoefende. In de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw zijn grote aantallen van dit soort schepen gebouwd. Overal in Nederland liepen deze schepen van stapel. Sommigen wijzen erop dat er regionale verschillen zijn aan te wijzen. Zo zouden Noordelijke schepen een herkenbaar achterschip hebben. Met een korter en steiler achterschip dan de in het westen gebouwde schepen. Dan mag voor bepaalde werven zo geweest zijn. Het kan echter niet dienen voor een altijd geldend onderscheid. Zo betrok bijvoorbeeld de Groningse werf Wortelboer tekeningen voor motorschepen van Scheepsbouwkundig Bureau Gebr. Houweling te Rotterdam.[1] Zij waren niet de enige, ook Bureau N.V. Technéma v.h. Ingenieursbureau Fr. Eriksson te Rotterdam leverde bestekken en tekeningen voor motorschepen die konden worden gebouwd op werven overal in Nederland. In 1923 konden zij een nieuw motorschip van 120 ton met een “Avance” motor van 36 pk, een fraaie salon en een teakhouten stuurhut laten bouwen voor f. 16.300. Levertijd was 12 weken.[2]
De in de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw gebouwde motorschepen met roef en stuurhut kwamen als type niet uit de luchtvallen. In het begin van de twintigste eeuw werd er al mee geëxperimenteerd. Niet massaal, maar toch.
Het zou voor een goed in- en overzicht van de scheepstypes de voorkeur verdienen om de aandacht minder op de werven te richten en meer op de zelfstandige scheepsbouwkundige ingenieurs die de werven van tekeningen voorzagen. De door hen geleide bureaus leverden op grote schaal technische tekeningen en lijnenplannen aan veel werven in Nederland maar ook daarbuiten. Ik noem A. J. J. van den Andel (1863-1925) te Amsterdam. L.J. Otto (1873-1954) te Rotterdam, P. Intveld (1887-1969) [3] te Delft en de Gebroeders Houweling te Rotterdam om er maar enkele te noemen.
[1] Anna Maria Houweling, een zus van de Gebr. Houweling, was in 1909 met Fredericus Gerhardus Wortelboer getrouwd. (Uit een nog niet gepubliceerd onderzoek naar de scheepswerven te Willemstad.)
[2] Schuttevaer 18-08-1923
[3] Ook Paulus in ‘t Veld
9. MOTORSCHEPEN MET ROEF ÉN STUURHUT GEBOUWD VÓÓR 1915
Hier volgen de gegevens van achttien motorschepen die gebouwd zijn in de periode 1901 tot en met 1914 met roef én een stuurhut. Met twee uitzonderingen: het in 1909 gebouwde tankmotorschip Sophia en de in 1911 gebouwde Koning Albert. Deze schepen hebben wel een stuurhut maar geen roef, althans geen bovendekse roef.
Dit waren de voorlopers van het type motorschip dat later de naam luxe motor zou krijgen.
Het begint in het jaar 1914 en gaat zo verder terug in de tijd. Deze voorbeelden laten zien dat de luxe motor niet zomaar ineens verscheen. Ik pretendeer niet dat ik alle motorschepen, van vóór 1915, met roef én stuurhut heb gevonden. Er zijn er zeker meer geweest.
10. 1914 ELIZABETH
Afbeelding 12. Motorschip Elizabeth [Algemeen plan van motorvrachtboot Elizabeth, collectie MMR, tekening TS474]
Johannes Theodorus Schot (1861-1938) schipper te Bergen op Zoom liet in 1913/14 bij de werf De Hoop van Gebr. J. en P. Boot te Leiderdorp het motorschip Elizabeth bouwen. Bouwnr. 919. Het was 29.00 meter lang en 6.06 meter breed en 150 ton groot.[1] De lengte-breedte verhouding van 4.7 : 1 van dit schip is bijzonder te noemen. Het heeft in ieder geval niet geleid tot opvallend brede gangboorden.
Er verscheen op 7 mei 1914 een bericht in het Algemeen Handelsblad: …De machinist van het te Bergen op Zoom thuis behorend motorschip Elizabeth dat voor de spoorbrug in Schiedam lag, vloog toen hij bezig was met de motor in brand. Hij sprong in de Schie en had vrij ernstige brandwonden…
Voordat Schot met het motorschip ging varen voer hij op de 130 ton grote klipper W.U.T.A. (ex Louise Constantia).[2]
[1] LSD, Meetnr. H1845N 17 feb. 1914
[2] LSD, Meetnr. R1594N 17 nov. 1900 [W.U.T.A. is Wacht uw tijd af.]
11. 1914 GRUNO
Afbeelding 13. Foto Anoniem van Marhisdata, bij Meelfabriek ‘Kungsörnen’ te Uppsala. Collectie B.W. (Ben) Scholten. Het is niet waarschijnlijk dat de enorme opbouw boven de roef er vanaf de tewaterlating op heeft gestaan. Verder vertoont het alle kenmerken van een in Nederland gebouwd motorschip.
Afbeelding 14. Foto anoniem. 1920. Op het Kustvaartforum geplaatst 31 jan. 2016 door Ben.
Op de werf van de gebroeders J. en G. Verstockt te Martenshoek werd in 1914 het motorschip Gruno gebouwd. Het werd op 8 augustus 1914 te Hoogezand als motorschip gemeten.[1] Voor de duidelijkheid, het werd gemeten als binnenschip. Lang 30.54 meter, breed 5.40 meter en 190 ton groot. Gebouwd voor rekening van schipper Jans de Vries (1873-1951) te Groningen.[2] Het schip werd in 1917 verkocht naar Zweden en vertrok op 13 mei 1918 van de Nieuwe Waterweg naar Zweden samen met de Advendo III achter de Zweedse sleepboot Edison. Zie voor de Advendo III bij 1904. (bron Marhisdata)
Harry de Groot schreef op 7 februari 2016 op het Binnenvaartforum dat hij zich niet kon voorstellen dat dit model luxemotor in 1914 werd gebouwd. In die jaren werden nog volop schoeners gebouwd. Hij schreef verder: Dit type schip werd toch voornamelijk na 1920 gemaakt…
[1] LSD, Meetnr. Hz1762N, 08-08-1914.
[2] De Maasbode, 12-07-1914.
12. 1913 TIJDGEEST
Afbeelding 15. Foto anoniem. Motorschip Tijdgeest. Foto T. Plantinga. Archief Hans Terpstra. [via www.debinnenvaart.nl ]
Hoe precies de eigendomsverhoudingen lagen bij de schepen van de broers Matthijs en Bouke Feenstra is niet duidelijk.[1] In 1932 waren beiden volgens de Scheepmetingsdienst voor de helft eigenaar van het motorschip Tijdgeest, maar toen dit schip in 1913 gemeten was stond Bouke alleen als eigenaar genoteerd. Eerder waren de broers Feenstra gezamenlijk eigenaar van het in 1909 gebouwde motorschip Energie. (Zie verderop 1909 Energie)
De Tijdgeest is in ieder geval gebouwd op de werf van de gebroeders De Goede in Zwartsluis. Het schip was 29.21 meter lang en 5.38 meter breed en 167 ton groot. Het kreeg een 45 pk Kromhoutmotor ingebouwd.[2]Een zogeheten Ruwoliemotor met waterinjectie. Als bijzonderheid kan gemeld worden dat de stuurhut los voor de roef stond. Het schip was uitgerust met zwaarden en had een (gedeeltelijk) zeiltuig. Het schip werd in 1932 verkocht aan hun neef Willem Frederik Feenstra (1903) die vanaf 1949 met dit schip in de zomermaanden met passagiers ging varen.[3] Hij werd daarmee de grondlegger van Feenstra Rijn Lijn, een rederij voor riviercruises.
[1] Beiden geboren in Den Haag, respectievelijk 1872 en 1874. Zie voor hen ook: 1909 Energie.
[2] LSD Meetnr. Z384N 30 aug. 1913.
[3] Willem F. Feenstra was een zoon van Keimpe, de oudste broer van Matthijs en Bouke.
Afbeelding 16. In 1966 kreeg de Tijdgeest een permanente stalen opbouw. In 1964 had zij al een 230 pk Deutz motor gekregen. De oude roef bleef gehandhaafd. Foto archief Hans Terpstra. [via www.debinnenvaart.nl ]
13. 1913 SCHELDESTROOM
Afbeelding 17. Hier de Scheldestroom links in het Goese Sas. Er voer toen een zetschipper met het schip. Rechts het in 1928 gebouwde motorschip Vertrouwen van L. Schipper. De Scheldestroom heeft een bredere stuurhut dan gebruikelijk voor een schip uit 1913. De foto is van na 1928, het is dus mogelijk dat het schip een grotere stuurhut heeft gekregen.
Marinus Bouterse (Kats 1881) zoon van arbeider Jan Bouterse en Maatje de Wild, trouwde als 25-jarige schipper in 1906 met Pieternella Wiskerke. Zij voeren als eigenaars op de Antoinette Marie, een in 1907 te Waddinxveen gebouwde stalen aak van 78.9 ton.[1] In 1913 liet Marinus het motorschip Scheldestroom bouwen als bouwnummer 530 bij D. en Joh. Boot te Gouwsluis (Alphen aan den Rijn). Het schip was 26.25 meter lang en 5.00 meter breed en 124 ton groot. Bouterse voer aanvankelijk van Dordrecht, Middelburg en later van Terneuzen. De Marie Antoinette werd in 1913 verkocht aan schipper A.J. Moerland uit Stavenisse.
Zoon Jan Bouterse (1909-1975) vertelde me ooit het verhaal dat hij, een jongen nog, bij de oversteek van Hansweert naar Terneuzen met de Scheldestroom bij stormweer in de machinekamer moest gaan zitten. De toegang werd dan dichtgemaakt met een kleed dat werd vastgekegd. Opgesloten dus. Bij aankomst of bij een noodsituatie onderweg moest hij de motor bedienen. Hij liet weten dat hij zich dan verre van prettig voelde.
[1] LSD, Meetnr. R3303N 18 nov. 1907
14. 1912 IMELDA
Afbeelding 18. Tekening motorboot H.J. Hol te Leeuwen (Collectie MMR inv.nr. T13093) De redactie en de auteur zijn het Maritiem Museum Rotterdam zeer erkentelijk voor het gebruik van dit beeldmateriaal. (Uitsnede achterschip is van de auteur.)
Hermanus Johannes Hol (Leeuwen 1876-Rotterdam 1950) zoon van een riviervisser, liet in 1912 bij D. en Joh. Boot te Gouwsluis (Alphen aan den Rijn) het motorschip Imelda bouwen. Bouwnummer 478. Daarvoor had hij een stalen aakschip van 97 ton, eveneens met de naam Imelda. Hij verkocht het in 1912 aan H. Derksen te Renkum. Het motorschip was 29.05 meter lang en was 5.03 meter breed. De tonnage bedroeg 126.9 ton.[1]Hol bedreef omstreeks 1918 een eigenhandel in brandhout vanaf zijn schip dat dan in de Nieuwehaven ZZ te Rotterdam lag.[2] De zoons varen later op schepen met de namen Imelda III en Imelda IV, wonen dan in Rotterdam en de schepen hebben een ligplaats in de Leuvehaven.
[1] LSD, Meetnr. Ga1068N, 1912
[2] De Maasbode 02-03-1918
15. 1912 JANSKE
Afbeelding 19. Tekening van een staalijzeren motorboot voor rekening van de heer H.C. Verbeek te Delft. (Collectie MMR inv.nr. T13107 / 1912 / D. Boot te Alphen aan den Rijn) De redactie en de auteur zijn het Maritiem Museum Rotterdam zeer erkentelijk voor het gebruik van dit beeldmateriaal. (Uitsnede achterschip is van de auteur.)
Werf “De Vooruitgang” van D. Boot te Gouwsluis (Alphen aan den Rijn) bouwde in 1912 voor rekening van Hendrik Cornelis Verbeek (Haaften 1876-….), die met Janske Satter was getrouwd, het motorschip Janske. Bouwnummer 505. Het schip was 22.10 meter lang en 4.14 meter breed en mat 57.8 ton.[1] Dit is verreweg het kleinste schip dat zowel een roef als een stuurhut had.
Het schip had in ieder geval in 1938 een Bergsund ruwoliemotor (nr. 936).[2] Of deze motor er van begin af aan in heeft gestaan is niet bekend maar niet onmogelijk. Dirk Boot bouwde al motorschepen voordat zijn zoon machinefabriek De Industrie oprichtte. Zoon Johannes (1886) was namelijk weliswaar in 1910 op het werfterrein van “De Industrie” een motorenfabriek begonnen en de eerste betrouwbare motor kwam in 1911 in het beurtschip Rijnland III van de firma Braat & Co te Alphen aan den Rijn. Het motorschip van 79.4 ton was als bouwnummer 448 door D. Boot gebouwd. Het blijft dus mogelijk dat er een Industrie motor in de Janske heeft gestaan en de Bergsundmotor de tweede motor was.
De Janske voer 1921/22 regelmatig met aardappelen geladen door het Voorns kanaal.[3]
[1] LSD, Meetnr. Ga1148N 15 nov. 1912
[2] Het Zweedse bedrijf Bergsunds Mekaniska Verkstads AB te Stockholm was in 1769 gesticht als ijzergieterij. Bouwde de eerste Zweedse stoommachine en ging over tot scheepsbouw. Belangrijk was ook de bruggenbouw. Vanaf het begin van de twintigste eeuw werden er ook ruwoliemotoren gebouwd. Het bedrijf ging in 1924 in liquidatie. In Nederland was A. Fontijne te Schiedam alleenvertegenwoordiger voor Nederland.
[3] Archief Schiedam, Doorvaart binnenscheepvaart kanaal Voorne-Nieuwesluis, 21 juli 1921- 27 mei 1922 (no 30).
16. 1911 LIÈGE I
Afbeelding 20. Motorschip Luik I (ex Liège I), uitsnede van een grotere foto. Foto anoniem, okt. 1923. Gezicht op de Binnen Kalkhaven met rechts de Achterhakkers te Dordrecht. [Beeldbank Dordrecht, inv.nr. 555_10930 , Collectie W. Meijers.]
De Luikse Scheepvaartonderneming S.A. Veuve Chainaye Discry[1] liet in 1911 op de scheepswerf Boele & Pot te Bolnes een voor die tijd groot motorschip bouwen.[2] Voor hedendaagse begrippen kreeg het een bescheiden motor van 70 pk. Niet lang daarna werd het overgenomen door W.H. Muller & Co te Rotterdam die de naam in Luik I veranderde.
Het schip was 49 meter lang en 6.02 meter breed en had een laadvermogen van 369 ton.[3] Het was opmerkelijk lang voor zijn breedte. De Lengte-breedteverhouding was 8.1 : 1.
Het brandnummer is 1654 B Rott 1927. Het schip kwam in 1927 in handen van Expeditiebedrijf v/h H. Braakman & Co te Rotterdam die de naam veranderde in Telegraaf XX.
[1] Deze onderneming had al in 1867 een stoombootdienst Luik-Rotterdam.
[2] Werf Gebr. Pot werd in 1896 Boele & Pot
[3] LSD, Meetnr. R3974N 16 sep. 1911
17. 1911 KONING ALBERT
De American Petroleum Company, gevestigd te Antwerpen en later te Rotterdam, liet in 1911 bij de werf Boele & Pot te Bolnes het motortankschip Koning Albert bouwen.[1] Het was 48.00 meter lang en 6.40 meter breed en 350 ton groot.[2] Volgens een opgave in een lijst van in 1910 in aanbouw zijnde schepen werd Gebr. Pot te Bolnes als bouwwerf opgegeven.[3] Deze werf was in 1896 omgedoopt in Boele & Pot. De twee-cilinder petroleummotor met verstelbare elektrische ontsteking van ongeveer 56 P.K., was geleverd door de firma D. Goedkoop Jr. te Amsterdam.
Het schip kreeg al snel de naam Motorcarline 1, gevolgd door Standard 1 om te eindigen als de Citerna 47 van de SA de Transports Plouvier & Co te Antwerpen. [4]
[1] Werf Gebr. Pot werd in 1896 Boele & Pot
[2] LSD, Meetnr. R3918N 29 mei 1911
[3] Scheepvaart 30-12-1910
[4] IVR 1926 Motorcarline 1, eig. A.P.C. te Antwerpen. IVR 1935 Standard 1 (ex Motorcarline 1), eig. A.P.C. te Antwerpen. IVR 1963 Citerna 47, eig. S.A. de Transports Plouvier & Co te Antwerpen. AE 19409 B 1959. Allemaal met dezelfde maten en hetzelfde bouwjaar.
18. 1910 MOEDER EMMA
Afbeelding 22. Motorschip Moeder Emma [Foto anoniem. Afkomstig uit promotieboekje van De Apeldoornse Machinefabriek v/h Loog Landaal te Apeldoorn. Collectie Meijer Museum te Sint Jacobiparochie https://meijermuseum.nl geraadpleegd 14 mei 2023]
Scheepswerf D. Boot te Gouwsluis (Alphen aan den Rijn) bouwde in 1910 het motorschip Moeder Emma voor rekening van De Apeldoornse Machinefabriek v/h Loog Landaal te Apeldoorn. Bouwnummer 388. Het schip was 30 meter lang en 5 meter breed, het was 122 ton groot.[1] Het had een Loog Landaal zuiggasmotor van 70 pk.[2]
De Apeldoornse Courant schreef op 4 juni 1910 het volgende: …De heer H.J. Wiepking liet aan de Apeldoorn III enige verbeteringen aanbrengen daarom huurde hij de Moeder Emma van de Apeldoornse Machinefabriek voor een aantal reizen Apeldoorn op Rotterdam. De motorboot voldeed uitstekend, zij heeft een flinke gang en een aanmerkelijke besparing in ’t kolengebruik is reeds gebleken. Zaterdag a.s. wordt de laatste reis gedaan, waarna zal worden proefgevaren voor de Maatschappij “Concordia” te Arnhem voor de vaart Arnhem-Rotterdam…
7 december 1910 passeerde de Moeder Emma Hansweert richting België.[3] Het schip krijgt in 1911 een andere eigenaar en een andere naam. Onder de naam van Camilla vaart het schip van Leon Scheerders uit St Niclaas (B.) De Belgische hermeting te Gent op 3 juli 1911 stelde de tonnage op 86 ton. Het waarom van de verandering van tonnage is niet bekend. Voordat het schip in Belgische handen kwam schijnt er nogal geleurd te zijn met het schip.
[1] LSD, Meetnr. Ga816N 26 april 1910
[2] Loog is een voornaam die waarschijnlijk alleen bij deze familie voorkomt. Vanaf 1902 heette de fabriek De Apeldoornse Machinefabriek v/h Loog Landaal.
[3] Algemeen Handelsblad 08-12-1910
19. 1910 WERRA
Afbeelding 23. Motorschip Werra [Foto anoniem. Afkomstig uit een promotieboekje van De Apeldoornse Machinefabriek v/h Loog Landaal te Apeldoorn. Collectie Meijer Museum te Sint Jacobiparochie https://meijermuseum.nl geraadpleegd 14 mei 2023] Op deze foto lijkt het net alsof het schip geen stuurhut heeft. Daarom hieronder een uitsnede.
Afbeelding 24. Uitsnede Afbeelding 23
Scheepswerf D. Boot te Gouwsluis (Alphen aan den Rijn) bouwde in 1910 het motorschip Werra voor rekening van Dampfschiffgesellschaft Neptun te Bremen (D). Bouwnummer 387. Het had een lengte van 40.60 meter en een breedte van 7.20 meter. Het was 365 ton groot.[1] Het dubbelschroefmotorschip was uitgerust met twee Loog Landaal zuiggasmotoren met een totaal van 70 pk. Het kon hiermee een snelheid halen van 10 kilometer per uur. Volgens het Rijnschepenregister van 1914 was het schip op 19 feb. 1914 te Rotterdam nog ambtelijk onderzocht. Dat betekent dat het vaargebied niet tot de Wezer werd beperkt. Sterker nog, de in het Rijnschepenregister 1914 voorkomende schipper W. Clemens werd ook genoemd toen de Werra op 15 nov. 1913 Lobith passeerde richting Nederland met als bestemming Stettin.[2]
[1] LSD, Meetnr. Ga791N 28 jan. 1910
[2] De Maasbode 16-11-1913
20. 1909 DE VROUW ANNETJE
Afbeelding 25. Foto anoniem. Sint Nicolaas en Zwarte Piet op het voordek van De Vrouw Annetje in 1926. Fotonr. 09973 www.archiefeemland.nl geraadpleegd 20 mei 2023.
DE VROUW ANNETJE motorschip staal
Bouwjaar: 1909 Bouwwerf: H. en D. de Goede te Zwartsluis
30.00 x 6.06 m. 147.4 ton 40 pk
Eig. D. Vliek te Amersfoort [LSD Meetnr. A2856N 5 jan. 1910]
De motor werd geleverd door de Appingedammer Bronsmotorenfabriek. (Bron: De Standaard 12-10-1909.)
Dat dit schip zowel een roef als een stuurhut heeft is niet bewezen maar wel aannemelijk. Voordat dit motorschip werd gebouwd bouwden de Gebroeders De Goede het iets kleinere motorschip Energie dat wel was uitgerust met roef én stuurhut. Zie hierna.
De 24-jarige schipper Dirk Vliek huwde 1908 met de 40-jarige weduwe Annetje Evers, moeder van 7 kinderen. Zijn oudste stiefdochter was toen 19 jaar. Annetje was met haar eerste man Aris Ruitenbeek eigenaar van de tjalk De Vrouw Annetje geweest.
21. 1909 ENERGIE
Afbeelding 26. Motorschip Energie. Foto anoniem, jaar onbekend.
Gebroeders De Goede te Zwartsluis bouwden in 1909 het staalijzeren motorschip Energie voor de broers Matthijs en Bouke Feenstra te ’s-Gravenhage.[1] Het schip was 28.38 meter lang en 4.82 meter breed en 122.2 ton groot.[2] Het kreeg een 30/35 pk Kromhoutmotor.
Het schip had zwaarden en een (gedeeltelijk) zeiltuig. Het bestond uit een fok en een grootzeil. Het schip had geen boegspriet en kon daardoor geen kluiver voeren. Vandaar de toevoeging ‘gedeeltelijk’ bij zeiltuig. Frits Loomeijer noemt het in zijn boek Een eeuw Nederlandse Binnenvaart (1988) op pagina 36 een ‘vroege’ luxe motor. De stuurhut stond los voor de roef.
In de krant Het Vaderland van 24 augustus 1909 stond geschreven: …Op 23 augustus wilde schipper T. Feenstra van ’s-Gravenhage met zijn motorboot Energie uit Zwartsluis naar zee vertrekken.[3] Toen hij de motor (zuiggas) in gang wilde brengen wilde deze niet werken. De gehele dag werd besteed om het defect te ontdekken, doch tevergeefs. Tenslotte stampte hij met een ijzer in de koker waarin de kolen geworpen worden, of de reden van weigering der machine ook hierin kon bestaan, dat de kolen niet wilden zakken. Eensklaps sloegen de gassen nu naar boven en Feenstra, die er met het gezicht boven stond, in ’t gelaat, waardoor dit geheel zwartgeblakerd werd en hij niets zien kon. Door enige personen werd hij naar de dokter gebracht. Hedenmorgen was zijn toestand iets beter, hij kon weer een weinig zien en de dokter heeft nog hoop de ogen te behouden…
Voordat de broers Feenstra met dit motorschip begonnen waren zij samen eigenaar van de Avontuur. Een in 1899 door Boot te Vrijenban gebouwde klipper van 98 ton.
In 1941 staat alleen Matthijs Feenstra als eigenaar van de Energie genoteerd in de liggers van de Scheepsmetingsdienst.
[1] Zie voor hen ook 1913 Tijdgeest.
[2] LSD, Meetnr. Zs207N, 1 juli 1909
[3] Dit moet Matthijs (Thijs) Feenstra zijn geweest.
22. 1909 SOPHIA
Afbeelding 27. Motortankboot Sophia op het IJ bij het Petroleum Entrepôt. [Foto anoniem. Collectie het Scheepvaartmuseum Inv.nr. 2010.0648]
De Petroleum Handel Maatschappij te Amsterdam liet in 1909 op werf ’t Kromhout te Amsterdam het tankmotorschip Sophia bouwen. Het schip was 30.20 meter lang en 5.00 meter breed, de tonnage bedroeg 134.9 ton. Het had een stuurhut maar geen bovendekse roef. Het ontwerp van het schip was van Van den Andel.[1]
Er stond een 56 pk tweecilinder (petroleum-) Kromhoutmotor in. Motornr. 292. Het schip had vier ladingtanks met een totale inhoud van 158.000 liter. De eigen brandstoftank had een inhoud van 1000 liter. Aan dek was nog plaats voor 19 vaten petroleum. Speciaal voor langere tochten. De Sophia ging laden in Antwerpen of Pernis en leverde de lading af in de toenmalige distributiedepots. Het schip kreeg later de naam BP Holland 1.[2]
In 2011 lag de voormalige tanker als woonschip in Mechelen. Op alle bekende foto’s van dit schip ligt het achterover. Ik denk dat dit komt door het sterk geveegde achterschip en het grote verblijf in het voorschip.
[1] Vermoedelijk is dit Antonie Johannes Jacobus van den Andel (1863-1925) Werktuig- en Scheepsbouwkundig expert, Weteringschans 99 te Amsterdam.
[2] Deze alinea overgenomen uit Benzine en Petroleum Handelmaatschappij – B.P.-tankers. Gepubliceerd op het Binnenvaartforum 24 aug. 2011 door Hans Huijzer die zelf van 1960 tot 1970 bij BP gevaren had.
Afbeelding 28. Motortankboot Sophia onder zeil met draaiende motor op het IJ bij het Petroleum Entrepôt. [Foto anoniem. Collectie het Scheepvaartmuseum Inv.nr. 2010.0620]
23. 1908 HOUTHANDEL III
Afbeelding 29. Houthandel III (Lijnenplan en algemeen plan. Collectie MMR inv.nr. T13054)
Voor Houthandel Varsseveld & Co te Leerdam werd in 1908 op de werf van D. Boot te Gouwsluis (Alphen aan den Rijn) een motorschip gebouwd van 26.60 meter lang en 4.50 meter breed en 104 ton groot. Bouwnummer 344. Voor de roef stond een losstaande stuurhut. Het schip op onderstaande foto is zeer waarschijnlijk, tot het tegendeel bewezen wordt, de Houthandel III.
Afbeelding 30. Houthandel III. [Foto anoniem Beeldbank van de Historische Vereniging Leerdam NL_LdmHVL01056.jpg. Beschreven als: Beurtschipper met producten van de timmerfabriek Varsseveld. Dezelfde foto is onder een ander nummer beschreven als: Misschien een boot van Varsseveld-niet in Leerdam.]
24. 1907 WILHELMINA
Afbeelding 31. Motorboot Wilhelmina. Tekening Collectie Maritiem Museum Rotterdam. T12184. Zie voor de complete tekening: Wilhelmina [tekening]
De Amsterdamse kermisexploitant Theodorus Wilhelm Jongemaets (1872-1951) trok met een beignetkraam van kermis naar kermis. Er werden ook poffertjes en Brusselse wafels verkocht. Het moet een vrij grote en luxueus ingerichte zaak zijn geweest. Er trad omstreeks 1912 onder andere een Italiaanse Kapel onder leiding van B. Boni op.[1] Om zich sneller en geriefelijker door Nederland te verplaatsen liet Jongemaets bij werf D. Boot te Gouwsluis (Alphen aan den Rijn) in 1907 het motorschip Wilhelmina bouwen. Het was 26.00 meter lang en 4.80 meter breed en had een tonnage van 112.8 ton.[2] Het werd voortbewogen door een Kromhoutmotor van 45 pk. Ook bij dit schip stond de stuurhut los voor de roef.
[1] Bernardo Boni (Picinisco [I.] 1883) later leider Italiaans damesstrijkorkest waar ook zijn dochters Adelina en Elvira deel van uitmaakten. In 1930 traden zij als Italiaans Ensemble nog steeds op in het Grand Etablissement Jongemaets.
[2] LSD, Meetnr.
Afbeelding 32. Ansichtkaart Hilversum, in 1905 stond de zaak nog op naam van vader Jakob Jongemaets. Beignets aux Pommes – Gaufres de Bruxelles stond er boven de luifel. (Ansichtkaart afkomstig van gooienvechthistorisch.nl )
Jongemaets was niet de enige kermisexploitant die een eigen schip had om door Nederland te toeren. De weduwe Peeters-van Eekeren te Bergen op Zoom exploiteerde samen met haar twee zoons een stoomcarrousel. Voor het vervoer ervan kocht zij omstreeks 1905 een in 1894 gebouwde tweemastklipper van 233 ton. De Bergenaar C. de Haas werd de schipper.
25. 1906 JOHANNA
Afbeelding 33. Motorschip Johanna te Ruhrort. Direct achter de naam Johanna staat Vinkeveen, de thuishaven. Op de achtergrond de Admiral Scheer-brug over de Rijn die in 1907 gereedkwam. (Foto anoniem. Datering 1907-1910. Beschikbaar gesteld door Jaap Boersema.)
Leendert Kruijt (1861-1941) zoon van machinaal vervener in de Vinkeveense polder Leendert Kruijt, voer op de tjalk Economie.[1] Hij passeerde met dit schip regelmatig Lobith in de periode 1892-1906 in beide richtingen. Stoken op turf was een aflopende zaak, daarom schakelde hij over op handel in kolen die in Duitsland werden gehaald. In 1906 liet hij te Zwartsluis op de werf van J. van Goor en Zoon het motorschip Johanna bouwen. Het schip was 38.20 meter lang en 5.08 meter breed en mat 227 ton.[2] Er stonden meerdere schotten in het ruim zodat er verschillende soorten kolen konden worden geladen. Het schip viel in de spitsenmaat, er is dan ook later veel mee naar Frankrijk gevaren. De motor van dit schip is een verhaal apart.
De 75 pk sterke zuiggasmotor was in 1906 geconstrueerd door de 24-jarige Baltus Boulogne te Gorinchem. Hij was de zoon van de in 1898 overleden kachelsmid Reinier Boulogne. Baltus was op 16-jarige leeftijd zijn vader opgevolgd in de vrij grote en goed beklante zaak. Hij had een jaar op de Ambachtschool gezeten en later drie maanden stagegelopen in de machinefabriek van zijn oom Loog Landaal in Apeldoorn. In 1902 bouwde hij zijn eerste petroleummotor voor een korenmolen in Brakel. Tot 1906 bouwde hij een twintigtal motoren, gas-, benzine- en zuiggasmotoren. De laatste motor die hij bouwde was die voor de Johanna.Hiermee had hij zich vertild, want hoewel de motor prima draaide was het een financiële strop. Er ontstonden problemen binnen de familie Boulogne. Het draaide er op uit dat hij op 25-jarige leeftijd naar Nederlands-Indië vertrok. In Indië aangekomen kreeg hij bericht van zijn familie dat een Rotterdams scheepvaartbedrijf twee zuiggasmotoren van 150 pk had willen bestellen voor twee Rijnschepen van 400 ton. Te laat. Wie weet wat er was gebeurd wanneer Baltus deze motoren had kunnen bouwen. De motor van Boulogne heeft gedraaid tot 1920 toen is er een MWM-Benz-motor in de Johanna geplaatst.
[1] Leendert Kruijt senior bezat een varende turfsteekmachine die aangedreven werd door een stoommachine. Er was ongeveer 10 man personeel aan het werk. Door de turfwinning is de Vinkeveense polder veranderd in de Vinkeveense plassen.
[2] LSD, Meetnr. D1840N 28 aug. 1906.
26. 1904 ADVENDO III
Afbeelding 34. Motorschip Advendo III bij de Spiritusfabriek te Bergen op Zoom. Foto anoniem. Datering: Het schip oogt nieuw, de foto kan 1904/05 gemaakt zijn. (Foto beschikbaar gesteld door Bert Zwikker, een achterkleinzoon van Hector Vermeulen.)
In 1904, het jaar dat Hector Vermeulen (Papendrecht 1875-Bergen op Zoom 1965) trouwde liet hij het motorschip Advendo III bouwen. De werf waarop dit gebeurde was N.V. Scheepsbouwwerf Baanhoek te Sliedrecht, voorheen T. Nederlof. De gebroeders Huibert en Gerardus Nederlof waren toen de leiders van de werf. Het schip was 28.25 meter lang en 5.91 meter breed en 163 ton groot. Het kreeg een motor van 25 pk. Het schip had een opmerkelijke lengte-breedteverhouding 4.7 : 1.[1]
Hector stamde uit een grote schippersfamilie die oorspronkelijk afkomstig was van Tholen. Jacob Vermeulen, de vader van Hector had in 1897 op de werf van Van den Adel te Papendrecht de klipper Advendo (I) laten bouwen. In 1908 was hij van Papendrecht naar Bergen op Zoom gekomen. Hoewel Hector ingeschreven stond in Papendrecht was hij vaak in Bergen op Zoom te vinden. Zijn eerste drie kinderen werden er geboren.
De Advendo III voer van Papendrecht. Er werd veel voor de Spiritusfabriek van Bergen op Zoom gevaren. Een bepaalde periode is er ook nog de tjalk Advendo II geweest die door zetschippers werd bevaren. De Advendo I en II werden verkocht, respectievelijk in 1916 en 1919. De Advendo III werd naar Zweden verkocht en vertrok op 13 mei 1918 van de Nieuwe Waterweg naar Zweden samen met de Gruno achter de Zweedse sleepboot Edison.[2] Zie voor de Gruno bij 1914.
[1] Het motorschip Energie was 13 centimeter langer maar 1.09 meter smaller. Dat gaf een Lengte-breedteverhouding van 5.8 : 1. Zie 1909 Energie.
[2] bron Marhisdata
Meer foto's van de Avendo III. Advendo III
27. 1901 PRINS HENDRIK DER NEDERLANDEN
Afbeelding 35. Pieternella II (ex Prins Hendrik der Nederlanden) Foto beschikbaar gesteld door Jenet van Suijlekom. [Op deze foto is waarschijnlijk de kleine stuurhut al vervangen door een grotere. Zie Afbeelding 37 voor een oudere foto.]
Op de scheepswerf van A. Pannevis te Alphen aan den Rijn werd in 1901 het motorschip Prins Hendrik der Nederlanden gebouwd. Het schip mat 27.45 bij 5.55 meter. Een opvallend breed schip voor zijn lengte. Daarmee uitermate geschikt voor deklasten. Er was een 15 pk Loog Landaal-zuiggasmotor ingebouwd.[1] Niet veel kracht voor een schip van 126 ton.
[1] Loog is een voornaam die waarschijnlijk alleen bij deze familie voorkomt. Vanaf 1902 heette de fabriek De Apeldoornse Machinefabriek v/h Loog Landaal.
Afbeelding 36. Fabrieks- of stempelplaatje L. Landaal, Machine fabriek, Apeldoorn van een motor uit 1899. Het ingestempelde jaartal staat boven Apeldoorn. [Foto afkomstig van de site https://meijermuseum.nl geraadpleegd 14 mei 2023. Meijer Museum te Sint Jacobiparochie.]
Later is die vervangen door een 25 pk Van Rennes motor. Het schip was gebouwd in opdracht van houthandelaar v.d. Heuvel te Apeldoorn. Het vervoerde brandhout van Het Loo voor de broodbakkers in Den Haag. In 1907 kwam daar de tweede gemeentelijke gasfabriek in werking. Steeds meer bakkers stopten met houtovens en gingen over op gasovens. Het schip heeft daarna een reeks van eigenaren en schippers gekend. Een wil ik eruit lichten. Schipper Louis A. van Suijlekom heeft vanaf 1922 als zetschipper voor Stro- en Hooihandelaar W. de Wijs te Made meer dan 40 jaar met dit schip gevaren. Het schip heette toen Pieternella II. Zijn kleindochter Jenet van Suijlekom stelde bovenstaande gegevens beschikbaar samen met een aantal foto’s en kon vertellen dat het schip in het begin nog was uitgerust met zwaarden en zeilen. Het schip is geëindigd als kraanschip en in die staat halverwege de tachtiger jaren naar Engeland verkocht.
Tot het bewijs van het tegendeel kan worden aangenomen dat dit het eerste motorschip was met een roef én een stuurhut.
Afbeelding 37. De Pieternella II in de haven van Drimmelen. Foto beschikbaar gesteld door Jenet van Suijlekom.
28. SOMMIGE MOTORSCHEPEN ZIJN NIET OPGENOMEN IN DEZE LIJST
Op verschillende websites en in sommige publicaties komt het motorschip Tijdgeest van Arie Kreuk Jzn (1872-1938) voor als zijnde een vroeg voorbeeld van een luxe motor. Het schip was in 1908 gebouwd op de werf van de Wed. Joh. Van Duyvendijk Lzn. te Krimpen aan den IJssel. [1] Het schip bestaat nog. Zie Tijdgeest Het was oorspronkelijk een motorschip waar het woonverblijf zich in het voorschip bevond. De roef is er veel later opgezet evenals de stuurhut. Andere schepen hebben om soortgelijke redenen deze lijst ook niet gehaald. Dit laat zien dat het moeilijk is om te bepalen of een bepaald schip Luxe Motor genoemd kan worden. Aan de vorm van het casco is het namelijk niet te zien.
[1] Zij was in 1907 overleden, haar drie zoons beheerden de werf die firma Wed. Joh. van Duyvendijk bleef heten. De werf lag op de grens met Ouderkerk aan den IJssel.
Afbeelding 38. Jamais Pensé, gebouwd in 1905 op de werf van Gebr. Pot te Bolnes voor S. Stok te Rotterdam. Soms werd er later op dergelijke schepen achterop alsnog een roef geplaatst inclusief stuurhut. Foto anoniem. Collectie Cees de Bijl.
29. CONCLUSIE
De vroegst bekende advertenties uit de veertiger jaren van de vorige eeuw waar de term Luxe Motor in voorkomt, in verband met een motorvrachtschip, laten zien dat zelfs schepen van 50 tot 65 ton deze typebeschrijving meekregen. Dit kunnen moeilijk schepen met een luxueuze roef worden genoemd.
De typenaam Luxe Motor heeft dan ook niet of nauwelijks te maken met de aanwezigheid van een bovendekse roef, noch met de veronderstelde luxueuze betimmering ervan met mahonie en teakhout. Het onmiddellijk kunnen vertrekken door de eigen voortstuwing, de motor, legt eveneens onvoldoende gewicht in de schaal.
Maar de zichtbare en gevoelsmatige gelijkenis met de luxe motorboot in het begin van de twintigste eeuw, het pleziervaartuig voor de welgestelden, heeft door de aanwezigheid van een houten opbouw met ruiten ervoor gezorgd dat de term kon overspringen naar het vrachtmotorschip met een stuurhut.
Bij het pleziervaartuig was de houten opbouw vaak juist niet de plaats waar gestuurd werd. Het was de plaats waar het gezelschap beschut konden zitten. De man aan het stuurrad, meestal personeel, stond buiten of hooguit onder een afdakje.
Was het aanvankelijk een streekgebonden benaming, dankzij de advertenties en artikelen in weekblad Schuttevaer is de term landelijk bekend geworden en ingevoerd. Voordat het gebruikt werd in kranten en tijdschriften moet de term luxe motor al bij de Noordelijke schippers gemeengoed zijn geweest. De tijd waarin dit plaatsvond moet hebben gelegen in jaren 1920-1930, de hoogtijjaren van de bouw van motorschepen voor particuliere schippers die de vrije vaart beoefenden. De term luxe motor werd vanaf 1941 aangetroffen in advertenties van particulieren en scheepsmakelaars maar niet in die van scheepswerven.
Waarom de schippers in andere delen van Nederland vroeger de term Luxe Motor niet gebruikten kan gelegen zijn in het feit dat zij wisten dat er andere schepen waren met grotere en luxueuzere roeven. Grote schepen die niet in de Noordelijke provincies kwamen.
Afbeelding 38. De keuken van de Avontuur 6 van 4.40 x 4.00 meter. In tijdschrift Het Schip 1929.
Het in 1928 gebouwd Rijnschip Avontuur 6 van W.J. van Ooijen had elektrisch licht, centrale verwarming, marmeren wastafels en last but not least in de salon een piano.
Van de achttien hier beschreven schepen was twee derde gebouwd voor particuliere eigenaars. De drie grootste schepen, die boven de 350 ton, waren van grote bedrijven.
De werf die er uitspringt qua aantal gebouwde motorschepen is die van D. Boot te Gouwsluis/Alphen aan den Rijn. In de periode 1907-1912 werden daar zeven motorschepen gebouwd. Dan volgt de werf van gebroeders De Goede te Zwartsluis die in de periode 1909-1913 drie motorschepen bouwde. De werf van Boele & Pot te Bolnes bouwde in 1911 twee motorschepen. Terwijl de werven A. Pannevis te Alphen aan den Rijn, Gebr. Verstockt te Martenshoek, v/h T. Nederlof te Sliedrecht, ’t Kromhout te Amsterdam, J. van Goor & Zn te Zwartsluis en Gebr. Boot te Leiderdorp er elk een leverden. Op alle hier genoemde werven werden vanzelfsprekend meer motorschepen gebouwd. Maar dan ontbrak de stuurhut.
EINDE
Maak jouw eigen website met JouwWeb