5. AANTALLEN IJZEREN BINNEN- EN RIJNSCHEPEN

 

Kleine schepen heb ik betrekkelijk weinig gevonden. Beneden de 50 ton telde ik 34 schepen, goed voor 6,5 % van het totaal. Naast de ijzeren Rijnsleepschepen zijn er vóór 1870 ook enkele ijzeren trekschuiten gebouwd. Deze trekschuiten zijn uitzonderingen. In dit onderzoek zijn buiten de genoemde trekschuiten geen schepen korter dan 25 meter gevonden die voor 1870 zijn gebouwd. Van schepen in de tonnageklasse 51-100 ton waren er slechts 31 (6 %). 35 % van de schepen valt in de tonnageklasse 101-300 ton. De helft van deze 152 schepen is groter dan 300 ton. Nederlandse ijzerwerven bouwden grotendeels voor de Duitse markt, lees grote Duitse rederijen. Van de 71 schepen vallend in de tonnageklasse 601-1000 ton voer twee derde onder Duitse vlag.

Van 1850 tot 1859 werd er in heel Nederland meestal maar één ijzeren binnenschip per jaar afgeleverd. Niet verwonderlijk, want vanaf 1848 was het onrustig in Europa. In dat jaar brak in Parijs de Februarirevolutie uit, kort daarop volgde de Maartrevolutie in Duitsland. Toen het ook nog in Wenen tot een opstand kwam zorgde dat voor een jarenlange crisis. Het werd versterkt door de Krimoorlog (1853-1856), de daaropvolgende jaren zat de wereldeconomie diep in het slop. Langzaam keerde het tij en van 1860 tot 1868 werden er twee tot vier ijzeren schepen per jaar gebouwd. Maar met de akte van Mannheim uit 1868 die in 1869 in werking trad en de vaart op de Rijn werkelijk vrijmaakte, leeft de scheepvaart op. Na de Frans-Duitse oorlog van 1870/71 is er in Duitsland een stormachtige ontwikkeling van industrie en handel. De Franse oorlogsschadebetalingen wakkerden de stichtingskoorts aan van veel nieuwe bedrijven. De handel van en naar Duitsland neemt enorm toe en de binnenscheepvaart profiteert hiervan. In 1869 liepen er in Nederland zeven ijzeren binnenschepen van de helling. Vanaf 1870 neemt de scheepsbouw in ijzer verhoudingsgewijs een grote vlucht, in dat jaar werden er 17 schepen opgeleverd. Van 1873 tot 1879 werden er 30 tot 40 schepen per jaar gebouwd. Het jaar 1880 spant de kroon, dan komen er maar liefst 102 nieuwe ijzeren schepen in de vaart. Bestaande werven gaan over op ijzerbouw, nieuwe werven werden meteen als ijzerwerf ingericht.

Afbeelding 6. Een tweemast ijzeren Rijnsleepschip in de toegang van de Spoorweghaven te Rotterdam anno 1876. Vermoedelijk betreft het hier een schip van een particuliere schipper. Er is geen zeil meer te zien terwijl er nog wel een gaffel in de mast hangt. Het schip heeft ook zwaarden. Het is nog voor de tijd dat staaldraad werd gebruikt. Ik zie op de luiken een ongelofelijke berg opgeschoten sleeptros liggen.

 

IJZEREN SLEEP- EN ZEILSCHEPEN GEBOUWD VOOR DE BINNEN- EN RIJNVAART IN NEDERLAND 1841-1880 NAAR JAAR EN AANTAL

 

1841 – 1850    =   39   =     7,5 %

1851 – 1860    =   13   =     2,5 %

1861 – 1870    =   43   =     8    %

1871 – 1880    = 424   =   82    %

TOTAAL              527      100    %

 

 

IJZEREN SLEEP- EN ZEILSCHEPEN GEBOUWD VOOR DE BINNEN- EN RIJNVAART IN NEDERLAND IN DE JAREN 1841-1880 NAAR TONNAGE EN AANTAL

 

    1 –   50   =   34  =    8 %

  51 – 100   =   31  =    7 %

101 – 300   = 152 =   35 %

301 – 600   = 150 =   34 %

601 – 1000 =   71 =   16 %

TOTAAL         527    100 %     

 

6. SCHEEPSTYPEN

 

Het Rijnschepenregister is niet scheutig met informatie over de verschillende scheepstypen. Zeil- en sleepschepen vormen één categorie. In de kolom Gesohlt oder ungesohlt duikt regelmatig de naam Tjalk op. Dat gebeurt ook bij houten schepen gebouwd in België. Uit andere bronnen weet ik dat het dan soms om een otter gaat. In andere gevallen kan het ook een in Nederland gebouwde praam zijn. Op deze manier ben je nooit helemaal zeker of het betreffende schip een tjalk is.

Afbeelding 7. Voorbeeld uit het Rijnschepenregister van 1898. Jac. Oppeneer uit Terneuzen had in dat jaar de houten otter Morgenster overgenomen van Bastianus Wilhelmus Touw (1841-1906), mijn overgrootvader. Het schip werd beschreven als zijnde een tjalk.

 

De termen Gesohlt / ungesohlt slaan op het voorkomen van een verdubbeling van de scheepshuid. Het kwam eigenlijk alleen voor bij de oudere Duitse houten schepen. Bij zeer oude ijzeren (zee)schepen bracht men ook wel eens een houten huid aan. Een enkele keer lees je in de leggers van Scheepsmetingsdienst dat bij een schip in de kolom materiaal zowel ijzer als hout staat. Dat zijn er maar erg weinig. Die combinaties van ijzer / hout kunnen zijn: houten vlak en de rest van ijzer of een ijzeren romp met een houten dek.

 

7. VOORBEELD VAN EEN IJZER BINNENSCHIP MET EEN HOUTEN DEK

 

Het paviljoentjalkje Maria Aagje (ex De Twee Gebroeders) van Janus Muller uit Puttershoek was van ijzer met een Amerikaans grenen dek. Volgens hem was het voordat zijn oudoom Simon Muller het scheepje in bezit kreeg het kaasjacht van Hoorn op Alkmaar geweest. In 1900 was de kaashandel T. Kroon & Zonen te Hoorn nog steeds de eigenaar. [1] Het kon zeer scherp aan de wind zeilen mede door de forse houten kielbalk die nog 14 cm onder het vlak uitstak. In de kaasvaartperiode deed het scheepje vaak mee aan zeilwedstrijden en haalde meermalen de eerste prijs. Het schip was gebouwd op werf Barkmeijer te Vierverlaten. Bouwjaar volgens Scheepsmetingsdienst was 1882 en volgens een zeemeting uit 1918 was het 1886. Het was misschien het kleinste Nederlandse zeeschip, 17.90 m. lang en 3.90 m. breed. 28.69 Gross tonnage, 25.91 Net tonnage en 55.00 tons (oude meting).

[1] LSD Meetnummer AR52N 13 feb. 1900. [In 1911 liet deze kaashandel een nieuwe motorklipper bouwen, het kreeg dezelfde naam: De Twee Gebroeders. Omstreeks deze tijd zal de tjalk aan Simon Muller zijn verkocht.]

 

Bij de typeomschrijvingen van de Scheepsmetingsdienst doen zich vergelijkbare zaken als bij de Rijnschepenregisters voor. Sleepschepen, klippers, kraken, dekschuiten en zelfs tjalken kunnen allemaal achter het begrip lichter schuilgaan. Klippers en stevenaken staan vaak als zeilaak omschreven. Niet vergeten moet worden dat deze typeomschrijvingen dateren uit 1899 of de latere jaren.

De schepen van verschillend type die een of enkele keren worden genoemd zijn: bak, boeier, boeieraak, dekaak, dekschuit, jachtschuit, klipper, klipperaak, paviljoenjacht, paviljoenschip, paviljoenschuit, pont, Rijnaak, Rijnschip, roefbokschip, schip, vletschip, westlander, westlanderschuit, zeilaak, zeilrijnschip, zeilschip. Veel tjalken waren paviljoenschepen, maar om alle schepen met een paviljoen onder de tjalken te scharen gaat te ver. Kraken en pramen konden ook een paviljoen hebben. Zelfs stevenaken werden soms beschreven als paviljoenschuit. Van veel schepen is het type onbekend. Van sommige onbekende schepen kan soms met grote mate van zekerheid het type herleid worden. Dan heeft de eigenaar of rederij meer schepen van hetzelfde formaat van dezelfde werf. 97 % van de schepen van onbekend type is groter dan 101 ton. Er zijn slechts 5 schepen tot 51 ton. 37 % valt in de tonnageklasse 201-500 ton en 40 % is tussen de 501 en 1100 ton groot. Verder kan gezegd worden dat er maar 8 schepen zijn van een onbekend type gebouwd voor 1870. De grootte varieert van 140 tot 570 ton. Bij het bouwen in ijzer valt de nadruk op grote schepen. Voor 1880 hoorden de schepen voor de gewone binnenvaart die groter waren dan 100 ton tot de grote schepen. De Rijnvaart is altijd een verhaal apart geweest. In 1882 waren er op de Rijn nog 769 houten schepen die in de tonnageklasse 200-500 ton vielen. 33 houten Rijnschepen waren zelfs groter dan 500 ton.[1]

[1] Nusteling, H.P.H., De Rijnvaart in het tijdperk van stoom en steenkool 1831-1914, proefschrift Nijmegen 1974, staat 6.1., p. 242.

 

DE IN DE LEGGERS VAN DE SCHEEPSMETINGSDIENST VOORKOMENDE SCHEEPSTYPEN GEBOUWD IN NEDERLAND 1841 - 1880

 

Sleepkaan / sleepschip                    16 %

Aak / aakschip                                  11 %

Kraak / kraakschip / kraakschuit        9 %

Lichter / lichterschip                           8 %

Tjalk / tjalkschip                                 4 %

Pakschip / pakschuit                          3 %

Bekend van verschillend type          15 %

Onbekend                                        34 %

Totaal                                              100 %