8. IN ROTTERDAM WERD HET EERSTE IJZEREN RIJNSLEEPSCHIP GEBOUWD
Waar, wanneer en door wie het eerste ijzeren Rijnsleepschip is gebouwd mag bekend worden verondersteld. Zelfs in algemene Nederlandse geschiedenisboeken blijft dat feit niet onvermeld. Gerhard Moritz Roentgen (1795-1852) was in 1823 als oud-marineofficier de medeoprichter van de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij en in 1825 richtte hij een scheepswerf en stoom- machinefabriek op, voluit geschreven als Het Établissement der Maatschappij voor Scheeps- en Werktuigbouw "Fijenoord". In de loop der jaren liepen er voor de NSM en ook voor Duitse maatschappijen steeds meer stoomsleepboten van stapel. In 1836 waren er 29 stoomboten in Nederland, waarvan er 13 op de Rijn voeren.[1] Roentgen had gezien dat de logge houten Rijnaken als samoreus en bunder niet vooruit te branden waren. In de jaren 1818-1821 had hij op last van Willem I in Engeland onderzoek gedaan naar ijzeren scheepsbouw en de bouw van stoommachines. In 1834 werden er op Établissement Fijenoord twee ijzeren stoomschepen bestemd voor Indië gebouwd. Roentgen had zijn ogen goed de kost gegeven en bouwde nu een ijzeren Rijnsleepschip dat door zijn vorm veel gemakkelijker gesleept kon worden. Er werden er in 1841 drie gebouwd, maar slechts een is er uiteindelijk in de vaart gebleven. Er was op dat moment geen emplooi voor drie goederenschepen.
[1] Cleef, H.M.F. van, Het IJzeren Schip, geschiedkundig overzigt van zijnen oorsprong tot op heden, ’s-Gravenhage 1858, p. 70.
Afbeelding 8. Mannheim No 4, gebouwd in 1863 te Luik (Seraing), 399 ton. In de achtermast de Pruisische vlag.
Van de andere twee zijn gedeelten gebruikt om er wel succesvolle sleepboten van te maken. De maten van het schip waren: 54.86 m. lang en 7.31 m. breed. De holte was 3.35 m. Bij een diepgang van 1.14 m. nam het schip 244 ton mee. Het eerste ijzeren Rijnsleepschip Rhijn I met kapitein J.J. Visser arriveerde 30 december 1841 te Keulen.
"Gisteren na den middag kwam het Nederlandsche stoomschip Agrippina, op sleeptouw hebbende het aan de Nederlandsche Stoomboot Mij te Rotterdam toebehorende ijzeren Rhijnschip Rhijn I, van Rotterdam hier aan. De stoomboot 1250 Ctr. en het Rhijnschip 4850 Ctr. geladen. In 38 uur voer het schip van Rotterdam naar Keulen. [1]
[1] Rotterdamsche Courant 31-12-1841
Enkele maanden later maakte het Algemeen Handelsblad op 24 mei 1842 bekend dat er drie ijzeren vaartuigen voor de stad Rotterdam waren aangekomen. Deze schepen waren in Luik gebouwd en bestemd voor de vaart op Keulen. In een advertentie in het Algemeen Handelsblad van 15 juni 1842 maakte de Keulsche Stoomsleepvaart Maatschappij bekend dat in Rotterdam in lading lagen de nieuwgebouwde IJZEREN SCHEPEN', Cöln No 1 en No 2, beiden 110 last. De advertentie was ondertekend door Phs. Van Ommeren, Agent te Rotterdam. Op 30 juni lag de Cöln No 3 in lading, schipper was H. Biltges.[1] De Rijn was in die tijd nog een grillige rivier met veel zand- en grindbanken die zich ook nog verplaatsten. Regelmatig liepen er schepen vast. Schepen die van Keulen kwamen kregen pas bij Kasselberg beneden de grindbank tegenover de monding van de Wupper hun volle lading. Kasselberg ligt zo'n 15 kilometer beneden Keulen. Bij een behoorlijke rivierafvoer konden de schepen tot 2.26 meter diep afgeladen worden. Daarna konden zij ongehinderd doorvaren tot Hardinxveld waar de ondiepten van de Merwede begonnen. Schepen die over de Vecht naar Amsterdam moesten konden niet dieper liggen dan 1.50 à 1.65 meter.[2]
[1] Rotterdamsche Courant 30-06-1842
[2] Filarski, R., Kanalen van de koning-koopman, Amsterdam 1995, p. 95.
9. KONINKLIJK BEZOEK AAN ÉTABLISSEMENT FIJENOORD
Op 31 maart van het jaar 1841 bezocht Koning Willem II Rotterdam en het Établissement Fijenoord. Een gedeelte uit het verslag van de Staatscourant van 2 april 1841 laat ik hier volgen:
"Daarna begaf Z.M. zich naar het gedeelte der fabrijk voor den aanbouw der stoomschepen en de vervaardiging van stoomwerktuigen bestemd, en heeft inzonderheid de aldaar in aanbouw zijnde ijzeren stoombooten voor de Maas en Moezel, het groote stoomzeeschip, voor de vaart tusschen Rotterdam en Hamburg bestemd, de ijzeren trekschuit en het ijzeren Rhijnschip, de stoomwerktuigen en ketels, welke voor Zr. Ms. stoomoorlogschepen Bromo en Merapie, voor de genoemde stoombooten in aanmaak zijn, bezigtigd, terwijl in tegenwoordigheid der vorstelijke personen vele deelen daarvan werden gevormd, gegoten en verder bewerkt."
Wat mij opviel in bovenstaande tekst heb ik onderstreept. Gelijktijdig met het eerste ijzeren Rijnschip werd dus een klein schip als een ijzeren trekschuit gebouwd. Deze trekschuit kwam in oktober 1842 in het nieuws:
"De ijzeren boot van Delft op Rotterdam, 11, zaterdag namiddag ten 4 ure van eerstgenoemde stad vertrokken, heeft omstreeks Overschie het ongeluk gehad van op een zeilschip te stooten, waardoor de boot over dat schip geschoven is en een gat in de boeg gekregen heeft. Een dertigtal passagiers is behouden aan wal gekomen, twee derzelven zouden zich met zwemmen gered hebben. Het ongeval is, naar men verneemt, aan de besturing van het zeilschip te wijten, ter- wijl de spichtige ijzeren schuit, in hare snelle vaart, en onder eenen vrij hevigen storm de beloopen schade niet heeft kunnen ontwijken. Intusschen zal dien ten gevolge de vaart met de schuit noodwendig eenigen tijd gestaakt moeten blijven, hetgeen voor menigvuldige reizigers, welke zij gewoonlijk overvoert, een groot ongerijf te weeg brengt. Het is echter te wenschen, dat men uit het voorgevallene aanleiding zal nemen, om te bepalen, dat bij het waaijen van zwaren wind en storm de beurt der ijzeren schuit door gewone trekschuiten zal waargenomen worden...[1]
Hoe hard die ijzeren trekschuiten gingen is op te maken uit een advertentie die de gezamenlijke veerschippers van Rotterdam op Delft in 1849 in de krant plaatsten.
[1] Arnhemsche Courant 27-10-1842
BEKENDMAKING
"De gezamentlijke Veerschippers, varende van Rotterdam op de stad Delft, maken aan het het geëerd Publiek bekend, dat, beginnende met Zondag 1 Julij 1849, de IJZEREN SCHUITEN. des ZONDAGS, des morgens ten 7 ure, met 2 Paarden zullen gejaagd worden; en verder zal door de week de IJzeren schuit, van des morgens 9 ure, mede met twee Paarden worden gejaagd. Zullende de overtogt in een en een vierde uur worden verrigt...[1]
[1] NRC 30-06-1849
Van Rotterdam naar Delft in een uur en een kwartier. Rekening houdend met stoptijden op halteplaatsen onderweg in Overschie en de Zwet moet zo'n ijzeren trekschuit onderweg toch gauw een gangetje van vijftien kilometer per uur hebben gehad. Dat is de snelheid van een paard in flinke draf. Zo hard mag je tegenwoordig niet meer op de Schie. Zo gezien is het niet verwonderlijk dat men in 1842 tot voorzichtigheid maande met de spichtige ijzeren schuit.
In Rotterdam waren meer werven die vóór 1880 ijzeren binnenschepen bouwden. In 1869 bouwde werf Rijkée het ijzeren raderstoomschip Voorne & Putten. In 1874 volgde de eerste ijzeren tweemaststevenaak voor Herm. Derksen uit Millingen. In 1877 werd daar de eerste stevenklipper gebouwd, de voorloper van de klipper met de stafsteven.
Maak jouw eigen website met JouwWeb