VAN VADER OP ZOON

 

 

Er bestond een opvallende continuïteit waar het ging om de opvolging in het schippersvak. Schepen gingen meestal over van vader op zoon. Bij één zoon gaf dat geen problemen. Waren er meer zoons dan gebeurde het vaak dat het schip steeds aan een jongere broer werd overgedaan. De oudere broers waren dan successievelijk met of zonder hulp van hun ouders voor zichzelf begonnen. Nu was het niet zo dat er vaste regels waren voor wie het schip van de vader zou overnemen. Het was absoluut geen gebruik dat de oudste zoon het schip kreeg. Daarentegen komt het wel vaak voor dat de 'blijver', meestal de jongste, uiteindelijk het schip overnam.

 

Toen Gerrit van Dort (1776-1852) als bejaarde schipper op 76-jarige leeftijd in 1852 tijdens een storm verongelukte, waren er acht zoons die hem zouden kunnen opvolgen als beurtman op Zierikzee. Zoon nummer vier, Wilhelmus van Dort, was degene die op 37-jarige leeftijd de beurt op Zierikzee met het schip De Acht Gebroeders overnam. Hij was al hulpschipper.[1] De andere broers op twee na waren schippersknecht. De op een na jongste broer Marijnis lukte het om zelfstandig schipper te worden. De vrijgezel Christiaan, de jongste van de van de broers, werd in 1866 zetschipper van het beurtschip op Amsterdam dat eigendom was van zijn zuster, de weduwe Jacomina J. Rübsaam-van Dort. Het is niet gezegd dat Wilhelmus van Dort de alleen-eigenaar werd van het schip, misschien waren zijn broers wel mede-eigenaar. Dit speelde zich af in het midden van de negentiende eeuw.[2] Dat was op zijn zachtst gezegd niet zo'n beste tijd. Het hierna volgende verhaal dateert van meer dan vijftig jaar later.

[1] MHC, doos 27a, brief aan gemeente 22 october 1852.

[2] Zie bijlage VAN DORT 2, sub 1.

 

Bastianus Wilhelmus Touw (1841-1906) had zeven zoons. Hij bezat een houten otter van 128 ton. Jan, zijn oudste zoon, werd door hem in 1891 aan een houten tjalk geholpen. Het schip heette niet voor niets Eendragt. In 1898 verruilde Bastiaan Willem zijn otter voor een tweemastklipper Elisabeth. In dat zelfde jaar was zoon Jan in staat om een 270 ton grote tweemastklipper te laten bouwen. Vier andere zoons zagen daarna kans om min of meer op eigen kracht, na een periode van zetschipper of knecht, schipper te worden. Toen Bastianus Wilhelmus in 1906 overleed waren de twee jongste vrijgezelle zoons Teeuw en Fré nog aan boord van de Elisabeth. Teeuw maakte toen met zijn broer Fré de afspraak dat ze elkaar financieel zouden bijstaan. Hij was daardoor in staat om in 1908 sleepschip Broedertouw van zeshonderd ton te laten bouwen. Fré bleef met de oude klipper varen. Het heeft tot 1928 geduurd tot Fré een dortmunder kon kopen. Teeuw kon of wilde zijn broer financieel niet helpen. Hier bleef de jongste, de ‘blijver', nog lang met het ouderlijk schip varen.[1]

 

Huijbrecht Jacobus Schot (1858-1944) bezat de in 1929 gebouwde kempenaar Diejo. In de crisisjaren kon hij het niet bolwerken en verkocht zijn schip, terwijl hij er zelf als zetschipper op bleef varen. Zijn zoon Reinier (1909) werd zetschipper op motorspitsen van Belgische eigenaars. De andere zoon, Pieter J. (1910), bleef bij zijn vader aan boord van de Diejo en toen die in 1933 stopte met varen, ging Pieter samen met zijn zus Johanna A. L. met het schip varen. Na de oorlog, het schip was uit de vaart geweest, kwam Pieter weer op de Diejo en na het overlijden van de eigenaar nam hij het schip over. Via een omweg kreeg toch de ‘blijver’ het ouderlijk schip.[2]

[1] Zie Bijlage TOUW 2, sub III c en IV g.

[2] Zie bijlage SCHOT 2, sub III b, IV b en IV c.

 

Schipper Petrus Sep (1860-1950) had twee zoons en één schip, de in 1913 gebouwde kempenaar St Petrus. De oudste zoon werd aan een schip geholpen. Het nieuwe schip was eveneens een kempenaar, de in 1923 gebouwde St Petrus nr 2. De jongste zoon bleef aan boord bij zijn vader en nam later de oude St Petrus over.[1]

 

Willem F. Schot (1882-1936) bezat het in 1926 gebouwde motorschip Johanna Adriana van 339 ton. Oudste zoon Johannes (1905) trouwde in 1933 en stak zich in de schuld om een motorklipper van 156 ton te kopen. Zijn broer Jaap (1912) bleef aan boord en trouwde in 1945. Hij nam als ‘blijver’ het schip van zijn vader over.[2]

 

Mijn grootvader Cornelis J. Touw (1876-1944) bezat motorschip Atalanta (gebouwd in 1923) en had drie zoons. Jongste zoon Lies was de eerste die trouwde en werd door zijn vader aan een nieuwe motorspits geholpen. Zijn twee oudere broers Bas en Klaas waren er mede-eigenaar van en bleven ook na hun huwelijken hun hele werkzame leven met het ouderlijk schip varen. Hier blijkt dat niet altijd de jongste de ‘blijver' is.[3]

 

Schippers met zoons als arbeidskrachten hadden een belangrijk voordeel ten opzichte van degenen die met personeel moesten varen. Zo werd het loon voor een knecht uitgespaard en de verdiensten bleven in het huishouden. De zoons die aan boord waren kregen hooguit een zakgeld. Voordat iemand schipper werd op het schip van vader of op een eigen schip voer hij soms als knecht bij een andere schipper. Op een gegeven moment kon hij zijn vader opvolgen. Schipperszonen die niet konden opvolgen of geen krediet konden krijgen om zelf een schip te kopen of te laten bouwen, konden ervoor kiezen om zetschipper te worden. Men kon zetschipper zijn van een scheepseigenaar met één schip of zetschipper zijn bij een kleine rederij met drie tot vijf schepen. Een zetschipper die voor een grote Rijnrederij voer werd door de schippers een kantoorschipper genoemd. De kantoorschipper volgde uitsluitend orders van de rederij op, terwijl een zetschipper in de regel zelf reizen aannam. Bij de schippers was het toch: beter kleine baas dan grote knecht.

[1] Zie bijlage SEP, sub I, II a en II b

[2] Zie bijlage SCHOT 3, sub IV d, V b en V c.

[3] Zie bijlage TOUW 2, sub IV e, V f, V g en V h.

 

Het lijkt er nu op dat de schippers alleen maar zoons hadden. Veel schipperdochters kwamen na de lagere school aan boord en werden ingezet voor allerhande karweitjes. Ook werden ze uitbesteed aan varende familie en kennissen die in een bepaalde periode een extra hand konden gebruiken. Er waren er die als ze er de leeftijd voor hadden een betrekking aan de wal zochten. Ze waren vaak werkzaam als dienstmeisje. Sommigen werden verpleegster in gesticht Vrederust, het grote protestantse psychiatrische ziekenhuis te Halsteren. Kozen ze een ander baantje dan kwam meteen het huisvestingsprobleem om de hoek kijken.

 

DOORLEREN NA DE LAGERE SCHOOL WAS BIJ VEEL SCHIPPERS NIET DE GEWOONTE

Een opleiding volgen, doorleren na de lagere school was in onze varende familie- en kennissenkring niet gebruikelijk. In de inleiding was te lezen dat zowel mijn beide zussen als ik tijdens onze schoolperiode in Rotterdam aan de wal woonden om daar het reguliere onderwijs te kunnen volgen. Dat wij niet op een internaat voor schipperskinderen zijn terechtgekomen had te maken met het feit dat mijn ouders bezwaar hadden tegen de lesmethode die daar gebruikelijk was. Dat was het zogenoemde ‘continuonderwijs’. In drie jaar tijd doorliepen de schipperskinderen zes klassen. Daarvoor was het nodig dat er drie schooltijden per dag waren en vergeet niet dat er toen ook nog op zaterdagochtend naar school gegaan moest worden. Weinig tijd voor ontspanning of je moet de verplichte kerkdienst(en) op zondag ontspanning noemen.

Mijn oudste zus haalde op de lagere school goede cijfers. De hoofdonderwijzer kwam naar boord om mijn ouders over te halen haar naar de Christelijke Middelbare Meisjesschool (Chr. M.M.S.) te sturen. Veel van mijn vader’s collega’s vonden het doorleren van een ‘meid’ maar weggegooid geld. Mijn ouders besloten te investeren in de toekomst van hun kinderen en af te zien van goedkope hulpjes aan boord. Dit speelde zich af in het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw.

 

VERVOLG KLIK SCHIPPERSFAMILIES 6