ONDERZOEK NAAR DE SCHIPPERS

VAN BERGEN OP ZOOM

 

Rond 1900 voeren er meer dan 80 schippers van Bergen op Zoom. In 1934 was dat aantal geslonken tot 46. De Internationale Vereniging het Rijnschepenregister (IVR) telde in 1988 nog maar negen schepen met Bergen op Zoom als thuishaven.

Hoe kwam dat? Het is bekend dat er tegenwoordig aanmerkelijk minder binnenschepen zijn dan vroeger en dat er toch meer wordt vervoerd. Oorzaak: grotere en snellere schepen.

Ik wilde weten of er meer aan de hand was dan alleen de schaalvergroting. Waren er schippers gestopt met varen of waren ze gewoon vertrokken? Deden de Bergse schippers aan belastingontwijking en lieten ze zich daarom inschrijven in een andere gemeente? Was zo iemand nog een Bergse schipper? Wat was er waar over de berichten dat de oude haven van Bergen op Zoom ongeschikt was voor grote schepen?

De onderzoeksperiode loopt van 1812 tot 1940. Het beginjaar is om meer dan één reden gekozen. Ten eerste omdat in het jaar 1812 de eerste volkstelling in Bergen op Zoom werd gehouden. Ten tweede omdat kort hierop een einde kwam aan de jarenlange Franse overheersing. De negentiende eeuw kon echt beginnen. Het eindjaar 1940 wordt door velen gezien als een keerpunt in de geschiedenis. De Tweede Wereldoorlog bracht veel schade aan de binnenvaart, een onderwerp dat zelf een boek waardig is.

Het zal duidelijk zijn dat het vervoer over water er in het begin van de negentiende eeuw anders uitzag dan in de dertiger jaren van de twintigste eeuw. Om tot een goed begrip te komen van de ontwikkelingen die de Bergse schippers tussen 1812 en 1940 doormaken is het noodzakelijk uit te leggen wat de binnenscheepvaart voor Bergen op Zoom betekende. De binnenvaart kende vele categorieën die allemaal hun specifieke taak hadden. Zonder de eigen geschiedenis van de schippers uit Bergen op Zoom in de verdrukking te laten komen, heb ik besloten het verhaal in een algemener perspectief te plaatsen.

 

SCHEEPSTYPEN  start daarom met de beschrijving van de scheepstypen zoals die in de Bergse archieven chronologisch gezien naar voren komen. In het begin van de negentiende eeuw zijn dat nog vrij kleine houten zeilschepen. In de loop der jaren gaan de Bergse schippers over op grotere houten schepen om vanaf 1878 langzaam over te schakelen op ijzeren c.q. stalen zeil- en sleepschepen. Al deze scheepstypen worden kort omschreven, zodat hun kenmerken ook voor de niet-kenner van oude scheepstypen zo duidelijk en helder mogelijk gemaakt worden. Voor de duidelijkheid: het gaat alleen om de scheepstypen die door de Bergenaars gebruikt werden.

 

Over de Nederlandse binnenvaart, de Rijnvaart en over de in Nederland en op de Rijn thuishorende scheepstypen is al veel gepubliceerd. In de Nederlandse binnenvaartliteratuur lijkt een consensus te bestaan over een aantal belangrijke momenten die de binnenvaart en het gedrag van de schippers beïnvloed hebben. In deel II van dit boek ga ik daar uitgebreid op in. Een paar wil ik hier noemen. Dat is om te beginnen de veronderstelling dat na de afschaffing van de beurtvaart de ‘wildevaart’ is ontstaan en daarnaast het tijdstip waarop en vooral de reden waarom schippers hun gezin aan boord krijgen. Hierover zal ik een enigszins andere mening ventileren, dan in de bestaande binnenvaartliteratuur te vinden is.

 

Deel III vertelt het verhaal van de Bergse schippersfamilies en leunt zwaar op het genealogische onderzoek dat er aan is voorafgegaan. Op veel manieren zijn de schippers aan elkaar verwant. Vooral de protestante schippers vormden een clan. In dit hoofdstuk wordt ook duidelijk dat naast de verandering van vaargebied er meer oorzaken zijn die er voor zorgden dat de Bergse schippers hun thuishaven de rug toe keren.

In de genealogische bijlagen worden de oude Bergse schippersfamilies beschreven: te beginnen met de drie grootste: Van Dort, Schot en Touw. Daarna volgen de twaalf kleinere oude Bergse schippersfamilies waartoe de families De Haas, Maas, Van Nispen, Oosterwaal en Wakkee behoren. Om te eindigen met de 36 schippersfamilies die voor een beperkte periode in de scheepvaart werkzaam waren. Wat niet wil zeggen dat zij per individu, omdat zij nu toevallig in deze volgorde geplaatst zijn, minder belangrijk zijn geweest voor het belang en de ontwikkeling van het vervoer over water vanuit Bergen op Zoom dan de leden van de eerder genoemde families.

 

Om te kunnen vaststellen wie zich tot de Bergse schippers mocht rekenen zijn verschillende archieven geraadpleegd. Ten eerste was dat de Volkstelling van 1812. Ten tweede was er het Bevolkingsregister dat onder andere bestaat uit een persoonsregister en een woningregister. Naast de religie werd ook het beroep genoteerd. Deze gegevens werden gecontroleerd en aangevuld met de gegevens uit de Burgerlijke Stand. Voor het scheepsbezit van de Bergse schippers stonden verschillende bronnen ter beschikking. In het archief van het gemeentebestuur van 1814 tot 1925 bevinden zich opgaven over verschillende periodes van schepen die te Bergen op Zoom thuishoorden. In de registers van de Patentschuldigen vinden we niet alleen het bedrag dat betaald moet worden maar ook scheepsnaam, type en grootte van de schepen. De Rijnschippers, die waren vrijgesteld van Patentbelasting, zijn met hun schepen te vinden in de Rijnschepenregisters die vanaf 1879 beschikbaar zijn. In het Schippersweekblad Schuttevaer staan berichten wanneer en op welke werf de kiel werd gelegd voor een nieuw schip, maanden later gevolgd door het bericht dat het schip voor rekening van een Bergse schipper met goed gevolg te water is gelaten. De bibliotheek van het Maritiem Museum te Rotterdam bezit een register waarmee de jaargangen 1896 – 1920 van Weekblad Schuttevaer op scheepsnaam, scheepstype, schipper en werf gezocht kan worden.

Naast de gegevens uit het eigen onderzoek is ook gebruik gemaakt van wat er in allerlei publicaties over de Bergse schippers is geschreven. Over de geschiedenis van Bergen op Zoom is veel geschreven en in een aantal boeken is te lezen waarmee de Bergenaars in het verleden hun brood verdienden. De schippers komen daarin niet of nauwelijks voor. In het proefschrift Bergen op Zoom, proeve van een sociaal-economische stadsanalyse dat E. Härtel in 1961 publiceerde komen de schippers er bekaaid vanaf. Terwijl het nota bene is opgedragen aan:

‘Alle Bergenaren, in het bijzonder zij, die in Bergen op Zoom zijn geboren en getogen, en daarna elders een bestaan moesten vinden.’

Wanneer er een beroepsgroep in Bergen op Zoom is aan te wijzen die massaal ergens anders een bestaan moest vinden, dan zijn het wel de schippers. Nu ontbreken de schippers niet helemaal in dit proefschrift. In hoofdstuk V wordt de verkeersfunctie beschreven. Summier wordt geschetst dat er in de achttiende eeuw beurtvaart was en dat de beurt- en vrijschippers regelmatig werden ingeschakeld, al dan niet gedwongen, voor het vervoer van militairen en hun materieel.

In hoofdstuk VI getiteld De moderne stad komt opnieuw de verkeersfunctie ter sprake. Ditmaal schijnt het licht op het havenverkeer. Zo gaat het over de positie van de haven en over de overslag van goederen. Er zijn tabellen over wat er aan- en afgevoerd werd. Maar over de beroepsgroep die dat vervoer over water verzorgde geen woord. De vissers krijgen wel aandacht en dat terwijl er toen meer mensen hun brood in de binnenvaart verdienden dan in de visserij. Denkend aan het woordgebruik in het proefschrift is de functie van de schippers in het uit 1963 daterende boek Streven naar sociale verheffing in een in hoge mate stuwend te noemen. Onder stuwende sectoren worden die delen in de stedelijke economie verstaan die inkomen verwerven door betrekkingen met andere gebieden buiten de stad.[1] De Bergse schippers verdienden hun geld onder andere in België en Duitsland en gaven dat gedeeltelijk in Bergen op Zoom weer uit. Oudschippers lieten huizen bouwen in Bergen op Zoom en genoten inkomsten van elders uit hun scheepvaartbedrijf. In het uit 1963 daterende boek Streven naar sociale verheffing in een statische stad van H.F.J.M. van den Eerenbeemt is op pagina 1 te lezen waarop de welvaart van de inwoners van Bergen op Zoom bij de overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw steunde. Dat waren de visserij, handel, nijverheid en garnizoen. De twintig schippers die er toen waren worden niet apart genoemd. Terwijl de vier brouwerijen (twintig mensen), drie looierijen (twaalf mensen) en de twee linnenweverijen (zes mensen) wel worden vermeld. Die twintig schippers vormden slechts een deel van de beroepsgroep. In die tijd werden kleinere schepen namelijk bevaren door twee man, terwijl grotere schepen waren bemand met de schipper, een knecht en een jongen. In de Wijklijsten van 1799 staan 19 schippers en 8 schippersknechts. Alleen gezinshoofden werden opgenomen in die lijsten. De ongehuwde schippersknechts en de jongens die aan boord van de schepen werkten, komen er niet in voor. Zodat veilig gesteld kan worden dat er zeker 45 mensen werkzaam waren in de scheepvaart.[2]

Fragmentarische informatie over de Bergse schippers van de zeventiende tot begin negentiende eeuw is te vinden in de in 1970 verschenen studie Tussen hete vuren I, over de Bergse potmakers geschreven door C.J.F. Slootmans. In Deel II beschrijft C.C.J. van de Watering de Bergen op Zoomse potbakkersfamilies tussen 1600 en 1800. Hierin werd duidelijk dat er veel huwelijken tussen de potmakers- en schippersfamilies waren.

In 1994 werd in De Waterschans het artikel ‘De Beurtvaart van Bergen op Zoom’ door Ben Daeter opgenomen.[3] In 1998 was er in hetzelfde tijdschrift opnieuw aandacht voor de schippers in het artikel ‘Altyt niet voor de Wint’ Schippers en vissers in de Bergse archieven door de eeuwen heen.’ Daarin beschrijft Yolande E. Kortlever wat er te vinden is over de schippers in het archief van Bergen op Zoom.

In 2005 verscheen Krabbegat, Avestad da’s m’n gròòte dròòm! over het ontstaan, de geschiedenis en de toekomst van de Bergse haven. In een paar hoofdstukken over de zeventiende en achttiende eeuw figureren schippers.

De bestaande literatuur, hoe summier soms ook, is in dit boek gebruikt en waar nodig van een kritische noot voorzien op basis van aanvullende informatie uit archieven, interviews en gesprekken.

 [1] Diederiks, Armoede en Sociale Spanning, 46.

[2] MHC, Oud Stadsarchief in het algemeen, 959.

[3] Daeter, ‘de Beurtvaart van Bergen op Zoom’, 109-121.

 

 

 

 

Maquette uit 1751 van Bergen op Zoom aanwezig in het Musée des Plans-reliefs in Parijs. Foto: M. Leveneur.

 

 

 

Gezicht op Bergen op Zoom vanuit het Zuidwesten. Links de Gevangenpoort. Een prent van Samuel Ireland (1744-1800) gemaakt in het najaar van 1789 en verschenen in:

A picturesque tour through Holland, Brabant and part of France, London 1796.               Collectie Kees Touw

 

 

 

Gevelsteen van het voormalige Schippersgildehuis.

Foto © Kees Touw

 

  

  

Kaart van Bergen op Zoom in 1814, met de positie van de Engelse troepen die de Fransen wilden verdrijven. Wat overigens niet gelukte.

 

  

 

Bergen op Zoom en omgeving. Getekend door W. de Petit in 1840. Collectie: Kaarten van de Topografische Dienst. www.gahetna.nl

 

 

 

 

Bergen op Zoom in de jaren 1856 - 1858. De vesting heeft nog grotendeels dezelfde vorm als op de maquette uit 1751.

  

 

 

Paviljoenpoon De Jonge Arnout van Jan Jansz Touw (1756-1807) beurtschipper omstreeks 1796 van Bergen op Zoom naar Amsterdam en vice-versa

Illustratie © Kees Touw

  

 

 

Dit schilderij dat in het bezit is van het Noordbrabants Mu-seum te 's-Hertogenbosch laat de haven zien van Bergen op Zoom. Het kan geen kwaad gewoon te beschrijven wat er te zien is.  Veel schilderijen maar ook foto's in openbare col-lecties worden beschreven met meer aandacht voor de huizen dan voor de schepen die er op te zien zijn. Daarom begin ik met de schepen. Ik tel er vier, tenminste ik tel vier masten. Drie met een zogenoemd ferrytuig en een met een spriettuig. Het schip met het spriettuig is die met de opge-geide zeilen. Het ligt als enige schip met de kop naar buiten. Links gaat naar de Schelde en rechts loopt de haven dood. Het schip op de voorgrond is een tjalkachtig schip met een staatsie dat vermoedelijk een schuit werd genoemd. Het moet ongeveer 30 ton groot zijn geweest. Het schip wordt geladen met Bergs aardewerk. Het schilderij wordt gedateerd op eind achttiende eeuw. Nu is het aantrekkelijk om te denken dat het hier om het schip gaat van Willem van Dort (1768-1849) die getrouwd was met Elisabeth Augustijn (1771-1828). Zij was een dochter van Johannes Adriaense Augustijn (1746-1830) de eigenaar van potterij  Croonenburgh aan de Noordzijde haven. Laat dit net het pand zijn rechts naast het grote huis met de trapgevel. Maar ja het kan ook het schip zijn aan de andere kant van de haven dat ligt ook potten te laden. Dat is een gelijksoortig schip, het heeft ook een staatsie, maar lijkt toch een slag groter dan het eerder beschreven schip. De mast en de boom zijn in ieder geval zwaarder uitgevoerd. Daarom schat ik dit schip op 40 tot 45 ton.

 

 

 

Titel: De stad Bergen op Zoom. Formaat in lijst 250 x 200 cm.

geschilderd 1804/1805 door Quirinus van Amelsfoort en Franciscus Johannes de Groot. Collectie Noordbrabants Museum te 's-Hertogenbosch.