MOTORSCHEPEN IN HET VAARGEBIED VAN DE BERGSE SCHIPPERS

 

 

In de periode 1900-1914 had werf Boot te Leiderdorp zeker dertig motorschepen gebouwd voor Belgische eigenaars. Schippers uit Bergen op Zoom moeten ze hebben zien varen. Een opvallend schip moet de Bierverzending I zijn geweest. Dit in 1902 door de Gebr. Boot te Leiderdorp gebouwd motorschip was 29 meter lang en vijf meter breed en uitgerust met een Rennesmotor.[1] Het vervoerde voor de firma Felix Kesseler & Co bier tussen Mannheim en Antwerpen en passeerde met enige regelmaat het kanaal door Zuid-Beveland. Steeds vaker werden de Bergse schippers in de Zeeuwse wateren bij weinig of verkeerde wind opgelopen door motorschepen. Oplopen is een schippersterm voor inhalen.

 

VOORBEELDEN VAN MOTORSCHEPEN IN HET VAARGEBIED VAN DE BERGSE SCHIPPERS

Het eerste motorbeurtschip in Zeeland was de in 1900 te Alphen aan den Rijn door Boot gebouwde Grevelingen waarmee door de eigenaar uit Zonnemaire[2] een beurtdienst onderhouden werd op Dordrecht en Rotterdam. In 1902 volgde het eerste motorbeurtschip van Zeeuws Vlaanderen, de te Walsoorden thuishorende Louise eveneens varende op Dordrecht en Rotterdam. Ook dit schip was door Boot te Alphen aan den Rijn gebouwd. In 1915 voeren er van verschillende plaatsen in Zeeland zeker 21 motorschepen. De meeste Zeeuwse beurtschippers gingen pas vanaf de jaren twintig over van zeil naar motor.[3]

De Zeeuwse particuliere schipper Marien Bouterse had in 1913 te Alphen aan den Rijn motorschip Scheldestroom laten bouwen. Het bezat een direct omkeerbare motor die om voor- en achteruit te draaien in de machinekamer bediend moest worden. De machinekamertoegang moest bij slecht weer goed dichtgemaakt worden. Over de ingang ging dan een dekkleed dat met keggen goed werd vastgezet. De hele tocht van Hansweert naar Terneuzen zat zoon Jan dan opgesloten in de machinekamer. Dat hij zich dan verre van prettig voelde zal duidelijk zijn. [4]

[1] Algemeen Handelsblad, 1 september 1902.

[2] De Grevelingen zal wel vanuit Brouwershaven hebben gevaren. K.T.

[3] Koppejan, De Blikken Motor, 293.

[4] Mondelinge mededeling van Jan Marinus Bouterse (1909-1975) in leven schipper op motorspits Hontestroom

 

Motorschepen waren dus niet zeldzaam meer in de Zeeuwse wateren. Maar alle schippers zagen ook de nadelen van de motoren. Ze waren nog niet zo bedrijfszeker. Regelmatig moest er een monteur van de machinefabriek komen om problemen op te lossen. Er was meer: een motorschip stonk en maakte herrie. Het was letterlijk gedaan met de rust. Het allerbelangrijkst om voorzichtig te zijn met het investeren in een motorschip was de prijs. Die lag hoog en ook de verbruikskosten en de kosten van het onderhoud waren niet mals. In 1921 kostte een motorschip van 250 ton ƒ 45.000. Voor hetzelfde geld had je een sleepschip, een dortmunder van 900 ton.[1] Veel Bergse schippers waren rond 1900 toe aan een nieuw schip. Hun houten schepen werden te oud en waren te klein. Voor particuliere schippers was een motorschip toen nog geen optie. Naar gelang de beschikbare financiële middelen hadden zij de keus tussen een zeilschip of een sleepschip. Menigeen wilde een niet al te grote verandering. De overgang van hout naar ijzer was al spannend genoeg. Voor veel schippers was tonnenmaat uiterst belangrijk en daarom kozen veel Bergse schippers niet voor een motorschip.

[1] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 2 juni 1921.

 

VERVOLG KLIK Scheepvaart III - 14