DE BROEDERTROUW GEZONKEN BIJ WILLEMSTAD  1875

 

 

Na 1871 steeg het aantal ijzeren Rijnschepen met sprongen. Meteen werd duidelijk wat de voordelen van een ijzeren schip waren. Het pompen was afgelopen. Wanneer een houten schip een tijd heeft leeggelegen waren de delen van het schip dat boven water zat uitgedroogd, de naden stonden dan open. Vooral in de zomermaanden trad dit verschijnsel op. Tijdens het laadproces moest er constant gepompt worden en soms ook nog dagenlang daarna. Na verloop van tijd trokken de naden dicht. Om de lekkage sneller te laten stoppen maakten schippers gebruik van een zogenoemde motkorf. De korf, een tenen mand, zat aan een lange stok. De korf werd gevuld met mot, fijne turfmolm, tegen de wand van het schip gedrukt en zo onder water gebracht. De lichte mot kwam in de naden terecht en zo stopte het lekken.[1]

Zolang een schip op stil water voer was er niets aan de hand. Het werd anders wanneer in de zomer een houten schip op ruim water kwam. Nog steeds stonden de naden van het bovenwaterschip dan open. Bij het overhellen van het schip en door golfslag kwamen dan de open naden onder water. Dan kon een schip snel water maken. Dit overkwam waarschijnlijk Cornelis Johannes Oosterwaal (1853-1898). [2]

Op 1 september 1875 was het schip van Oosterwaal ’s morgens rond half negen bij Willemstad gezonken. Nog dezelfde dag legde hij voor Notaris Johannes van Wijngaarden een verklaring af. Hij was met het schip Broedertrouw op 27 augustus uit Duisburg vertrokken geladen met steenkolen voor de suikerfabriek St Antoine te Oud-Gastel, ’s-Avonds was hij tot Wesel gekomen. Aan boord waren zijn twee zussen en twee knechts. Die knechts waren de uit Oosterhout afkomstige Pieter Kerkhof en de uit Oudenbosch afkomstige Herman Leijten. De andere dag kwamen ze tot Leeuwen. Op zondag 29 augustus arriveerden ze ’s-avonds in Dordrecht. Maandag kwamen ze niet verder dan tot in de Kil, omdat het hard woei vanuit het Zuid-Westen. Ook de volgende dag bleven ze daar verwaaid liggen. Woensdag 1 september was het beter en met een frisse bries uit het Noord-Noordwesten waren ze bij de zwarte ton in het Hollands Diep dichtbij Willemstad aangekomen. Hier ging het fout. Waarschijnlijk door het door de golfslag ingelopen water raakte het schip snel vervuld. Het zonk zo snel dat de opvarenden zich tenauwernood konden redden.[3]

           

Cornelis Johannes Oosterwaal was weliswaar een jonge schipper: hij was 22 jaar ten tijde van het ongeluk. Maar we moeten ons niet vergissen, hij zal een gedegen opleiding hebben gekregen aan boord bij zijn vader en later misschien bij anderen. Hij moet op 22-jarige leeftijd tussen de tien en twaalf jaar ervaring hebben gehad. Houten schepen konden In moeilijk water gaan werken, dat wil zeggen dat er beweging zat in het schip. Een diepgeladen schip is dan in de kortste keren vervuld, dan ben je te laat om de lekkage met pompen bij te houden. Oosterwaal legde de verklaring af om sterk te staan tegen latere eventuele claims.

[1] Sopers, Schepen die verdwijnen, 16.

[2] Zie OOSTERWAAL sub IV b.

[3] Notarieel register / Willemstad, 01-09-1875, aktenr. 48. (www.regionaalarchiefwestbrabant.nl )

 

VERVOLG KLIK Scheepvaart II - 10