EEN REIS VAN ANTWERPEN NAAR ALKMAAR  1892

 

 

Dit verhaal is gebaseerd op het dagboek van Hendrik Sikko Steentra. Hij was aan boord van De Vrouw Alberta het schip van zijn vader Gerben. Dhr. H.Th.G. Steenstra, een kleinzoon van Gerben, maakte mij opmerkzaam op het voorkomen van mijn overgrootvader in het dagboek. [1] Dat was in april 1892 toen Bastianus Wilhelmus Touw (1841-1906) naar de zelfde bestemming bevracht was als Gerben Steenstra.

Touw bezat een houten otter van 128 ton. Het schip Morgenster was in 1881 te Noeveren (B.) gebouwd. Hij had zeven zoons en drie dochters. Oudste zoon Jan was in 1891 getrouwd en niet meer aan boord. Wie van de overige zoons aan boord was is niet bekend. Sommigen voeren als knecht bij andere schippers. Zijn vrouw woonde met hun drie dochters aan de wal. Zij waren in 1892 respectievelijk elf, negen en vijf jaar oud. Met de Morgenster werd niet alleen naar Duitsland gevaren. Ook binnenlandse reizen en reizen naar en vanuit België kwamen veel voor.

Op 18 april 1892 lag de Morgenster leeg te Antwerpen. Elke dag ging Bastiaan naar de wal om te kijken of er een reis te krijgen was. Het was kroeg in kroeg uit om te kijken of een bevrachter iets aan te bieden had. Op 26 april kwam hij eindelijk om vier uur aan boord met de mededeling dat er tarwe voor drie gulden en vijfenzeventig cent per last naar Amsterdam geladen moest worden. Samen met Steenstra[2] waren ze bevracht naar dezelfde bestemming. Ze moesten in het Mexicodok laden uit een ‘Waal’.[3] De touwen gingen los en ze zeilden op alleen de fok in de kom van het Oude Dok. De andere dag ging het dok om drie uur open. Om zeven uur kwamen ze door de ijzeren brug en snel waren ze door de doorsteek. Om half elf lagen ze op hun laadplaats en om twee uur werd begonnen met laden. Tegen de avond hadden ze de halve last. De volgende morgen werd er om zeven uur begonnen en om half twaalf waren ze klaar. De Mexicobrug draaide om twee uur, met veel moeite kwamen ze door de doorsteek en om vijf uur waren ze voor de IJzeren brug. De papieren werden daar aan boord gebracht. Pas om tien uur de dag erna gingen ze door de IJzeren brug en meerden ze af in het Voordok. Tot vijf uur bleven ze daar liggen. Toen vertrokken ze met een flinke koelte naar Den Doel, waar om acht uur geankerd werd.

[1] Steenstra, Dagboek,, 144-147

[2] Gerben P. Steenstra uit Heeg met De Vrouw Alberta.

[3] Een Waal, ook wel houten Waal, was een lichtgebouwd kistachtig houten vaartuig met ronde luiken. Er waren een paar varianten waarvan de doornikenaar de bekendste is. Zij bevoeren de Belgische en Franse bovenrivieren en kanalen. Een enkele maal ook te zien op 19e eeuwse foto’s van de Amsterdamse en Rotterdamse havens. De grootte varieerde van 300 tot 370 ton.

 

In de ochtend van 30 april werd om half zeven het anker gelicht en twee uur later op het hardst van de eb waren ze bij Bath. Daarna zorgde een stevige Noordenwind dat ze om half elf voor de kleine sluis in Hansweert lagen. Het inklaren duurde niet lang. Voor een gulden en zeventig cent jaagden ze met één paard naar Wemeldinge waar ze om half vier voor de kleine sluis vastmaakten. De volgende dag, het was zondag, maakten ze de touwen los en reeds een half uur later waren ze geschut. Het uit de haven trekken met een paard kostte vijftig cent. Om tien uur ankerden ze met ‘blakstilte’ , dat wil zeggen geen wind, bij de Rode Ton. Een half uurtje later kwam er een beetje wind: het anker werd weer gelicht. De wind wakkerde aan en spoedig waren ze bij Keeten. Om half drie kwamen ze bij Duiveland. De wind nam toe zodat ze genoodzaakt waren een rif te steken. Willemstad werd om zes uur gepasseerd. Toen er eb begon te lopen, het was negen uur, werd er voor de Kil geankerd.

Het was inmiddels twee mei en ‘s morgens vroeg om half vijf ging het anker op en laveerden ze met de vloed de Kil door. Ze kruisten om negen uur de Noord in en ankerden om half elf voor de IJssel. Er kwam spoedig een sleepboot die ze meenam naar Gouda. Er hingen veertien schepen achter die boot zodat ze pas om zes uur te Gouda waren. Om half acht kon er geschut worden en daarna maakten ze zo snel mogelijk vast.

De derde mei was het weer vroeg reveille en om half vier sleepten ze met het bootje van de sleepdienst voor zeven gulden en vijftig cent naar Amsterdam. Ze hingen er met vijf schepen achter zodat ze om vier uur bij de Overtoom waren. Pas om zeven uur waren ze door de sluis en om acht uur konden ze bij de Vitrioolfabriek vastmaken.

De volgende morgen om vijf uur moesten de jongens in de lijn om te trekken. Het was stil weer en om acht uur lagen ze voor de spoorbrug. Deze ging een half uur later open, ze boomden zich naar de keersluis en maakten daar vast. Eerst moesten ze nu te weten komen waar gelost moest worden. Bas kwam om drie uur in de middag weer aan boord en vertelde dat ze naar Alkmaar moesten. Er werd vijfenzeventig gulden extra voor betaald. Maar het was recht in de wind. Als de wind morgen nog zo stond zouden ze gaan slepen.

De wind was de dag erna niet gedraaid zodat er een sleepboot nodig was. Samen met Steenstra hingen ze achter de sleepboot. Het kostte ieder tien gulden om door het Noord-Hollands kanaal gesleept te worden. Om vijf uur lagen ze op de losplek. Steenstra en Touw dobbelden om wie het eerst zou lossen. Touw won. Met de elevator werd de volgende dag het schip gelost: om zes uur waren ze leeg.

Vanaf zeven mei heeft de Morgenster te Amsterdam leeg gelegen. Op 19 mei kwam er een reis melasse in vaten naar het Zuiderdok te Antwerpen.

 

VERVOLG KLIK Scheepvaart II - 17