Poonschuit uitgebreide informatie

 

Hieronder vindt u de volgende hoofdstukken:

 

1. Onderzoek naar de poonschuit.

2. Typeomschrijving

3. Wat maakt een schuit tot poonschuit?

4. Bouwplaatsen van poonschuiten.

5. Jachtpoon

6. Spiegelpoon

7. Zeegaande poonschuiten

8. Poonschuiten in de visserij

ONDERZOEK NAAR DE POONSCHUIT

 

De resultaten van dit onderzoek zijn gebaseerd op het voorkomen van gegevens van poonschuiten in kranten en archiefstukken. Genoteerd werden lengte, wijdte, holte, scheepsnaam, eigenaar en woonplaats van de laatste. Slechts bij uitzondering zijn al deze gegevens van een en hetzelfde schip bekend. Een enkele keer kwam het bouwjaar, werf en bouwplaats te voorschijn. Minimale vereisten voor opname in dit onderzoek waren de gegevens van lengte en wijdte. Door het ontbreken van deze gegevens vielen veel advertenties en akten hierdoor uit de boot.

42 poonschuiten komen uit achttiende en negentiende-eeuwse krantenadvertenties. Deze kranten werden onderzocht via de site www.delpher.nl.

14 poonschuiten werden gevonden via de site van het Regionaal Archief Dordrecht. Zie www.dortenazoeker.nl  

6 poonschuiten werden bekend via www.marhisdata.nl Er waren er meer maar die waren al gevonden via ‘delpher’.

Daarbij komen nog de gegevens van een viertal poonschuiten die werden aangetroffen in het onderzoek ‘De verdwenen scheepswerven van Waspik’ door Han Smits. Te vinden op de website van de Heemkundekring ‘Op ’t Goede Spoor’ te Waspik. Bij de vier poonschuiten uit het Waspikse onderzoek zijn er twee uit het begin van de achttiende eeuw en twee van rond 1800. Zie www.goedespoorwaspik.nl

2 poonschuiten werden nog genoemd in de Liggers van de Scheepsmetingsdienst.

En last but not least de maten van de Zeeuwse poon die door Sopers was beschreven in zijn boek ‘Schepen die verdwijnen’. In totaal de gegevens van 68 verschillende poonschuiten. Deze lijst was eerst langer. Sommige poonschuiten vielen af, zij waren te smal voor hun lengte. Om een geloofwaardig gemiddelde te kunnen berekenen zijn zowel de grootste als de kleinste poonschuit geschrapt. De kleinste, nota bene een staatsie poonschuit, was 7.90 meter lang.[1] De langste poonschuit was 19.53 meter lang.[2] Een andere grote poonschuit die ook moest afvallen was 17,12 meter lang en kwam eigenlijk alleen voor als zeeschip.[3]

De oudste gegevens zijn uit 1722 en de jongste uit 1900. Na 1870 komt de poonschuit haast niet meer voor in krantenadvertenties. Een teken dat dit type schip, om wat voor redenen dan ook, niet meer voldeed. Later kom ik hier op terug.

In veel advertenties werd het schip speciaal aanbevolen als geschikt voor de Zeeuwse wateren. De op deze manier verzamelde gegevens geven inzicht in zaken als formaat en vaargebied. De plaatsen waar de schepen te koop werden aangeboden was in veel gevallen niet de thuishaven van de schipper. De poonschuiten werden uitsluitend te koop aangeboden in de provincies Holland, Zeeland en Noord-Brabant. Holland werd in 1840 gesplitst in Noord- en Zuid-Holland. Slechts twee poonschuiten werden te koop aangeboden in wat later de provincie Noord-Holland zou worden. De belangrijkste verkoopplaatsen waren Dordrecht, Rotterdam en Zierikzee.

 

[1] Rotterdamsche Courant 17-06-1854

[2] Leydse Courant, 1811-04-05. Een poon-schip, met een Kotters Tuigagie, lang over de steven 69 voet, wyt 16 en 1 half voet, gevoerd door Kapt. Christiaan Jans. Leggende onder Soeterwoude aan het Fonteyn even buiten Leiden.

[3] Koninklijke Courant, 1810-01-29. Poonschip genaamd De Zeeploeg, gevoerd bij schipper J.H.Dasveld, gekomen van Bergen en gedestineerd naar Amsterdam, op de 13e van wintermaand 1809 in Texel binnengekomen en aldaar door ‘s Rijks recherche aangehouden.

 

 

TYPEOMSCHRIJVING

 

Het schip dat we nu kennen als ‘Zeeuwse poon’ komt slechts eenmaal als ‘Zeeuws poonschip’ voor in de advertenties. Het gaat hier dan om een schip dat in Enkhuizen te koop werd aangeboden. Ver van het belangrijkste vaargebied. Het gebruik van de term Zeeuwse poon komt voornamelijk door F.N. van Loon en P. le Comte. Wat zij in hun boeken schreven dient als bronmateriaal van latere auteurs.

De term ‘poon’ zonder toevoegingen komt slechts één keer voor. De toevoeging –schuit of –schip zegt niets over de grootte van het betreffende vaartuig. De term poonschuit komt het vaakst voor. Niet minder dan 40 schepen worden zo genoemd. Wanneer we de termen dam-poonschuit, kop-poonschuit, paviljoen-poonschuit en staatsie-poonschuit meetellen komt het aantal op 54. Dat wil zeggen dat 74 % van de in deze bronnen voorkomende schepen een verbinding heeft met –schuit. Reden voor mij om het in het vervolg niet meer te hebben over de poon zondermeer maar over de poonschuit.

 

Er komen 15 verschillende termen voor.

  1. poonschuit                       40

  2. paviljoen-poonschuit          6

  3. poonschip                          3

  4. kop-poonschuit                  3

  5. staatsie-poonschip            2

  6. staatsie-poonschuit           2

  7. staatsiepoon                     2

  8. paviljoen-poonschip          2

  9. vispoon                             2

10. dam-poonschip                 1

11. dam-poonschuit                1

12. jachtpoon                          1

13. poon                                  1 

14. Zeeuws poonschip            1

15. Zeeuwse poon                  1

 

 

Er zijn 11 schepen uit de periode 1722 tot 1772

Er zijn 16 schepen uit de periode 1780 tot 1799

Er zijn 31 schepen uit de periode 1803 tot 1824

Er zijn 10 schepen uit de periode 1836 tot 1900

In totaal zijn er gegevens van 68 verschillende ponen.

 

8 poonschuiten met een paviljoen en 6 met een staatsie. Is dat niet wat weinig? Te meer omdat uit de bestaande literatuur bekend is dat de zogenoemde draai-over-boordponen niet bepaald talrijk waren. Daarom denk ik dat bij de poonschuiten en poonschepen die te koop werden aangeboden niet altijd vermeld werd dat het om een staatsie- dan wel een paviljoen-poonschuit ging.

In de niet gebruikte advertenties kwamen trouwens nog andere typeomschrijvingen voor.

Bijvoorbeeld ‘Eene PAVILJOEN-POON-AARDAPPELEN-SCHUIT’ in 1825 van Jacob Overwater te Strijen.[1]

 

[1] Rotterdamsche Courant 01-10-1825.

 

 

WAT MAAKT EEN SCHUIT TOT POONSCHUIT?

 

Hoewel er grote verschillen bestaan tussen de poonschuiten onderling moeten zij om poonschuit genoemd te worden toch overeenkomsten hebben. Belangrijk is de groot lijkende zware kop ten opzichte van het lagere bescheiden achterschip. Dit is meteen de overeenkomst met de vis die poon heet.

 

Grauwe Poon

Poonschuit van het type draai-over-boord getekend naar een foto in het boek van Sopers.

De kromme voorsteven wijst min of meer naar de punt van de mast. Het is een schip met een behoorlijke zeeg, zeker in het berghout, waarbij de helmstok tot over het roer mooi meeloopt met de zeeg. Voor een goede beschrijving van de poonschuit verwijs ik graag naar het boek ‘Schepen die verdwijnen’ van P.J.V.M. Sopers. Naast beschrijvingen kunnen ook betrouwbare afbeeldingen dienen om duidelijk te maken hoe een poonschuit er uitziet.

 

Collectie Rijksmuseum. ‘Poontje lang 43 voet’ anoniem ca 1780 – ca 1820 afkomstig van het Ministerie van Marine.

 

Voorgesteld is de poonschuit als ‘draai-over-boord’ een schip dus zonder staatsie. Doordat dit halfmodel uit de Marine-modellenkamer komt kunnen we er van uitgaan dat de Nederlandse Marine dergelijke schepen heeft gebruikt.

 

Collectie Rijksmuseum. 'Halfmodel van een poon'

afkomstig van het Ministerie van Marine.

Detail van een grotere foto beschreven als: Nieuwbrug, Voorstraatshaven. 1889-1891.Collectie Dordracum Illustratum, inv.n. 551_50055

 

Dit halfmodel van een paviljoenpoon heeft een roer dat boven water veel smaller is dan op het vorige halfmodel. Dit geeft dit model meer het uiterlijk van een jachtpoon. Op de term jachtpoon kom ik later terug. We kunnen dit halfmodel nu vergelijken met een paviljoenpoon op een oude foto. Deze afgetuigde paviljoenpoon die waarschijnlijk heeft gefungeerd als passagiers- en/of beurtschip heeft het bredere roertype.

 

TONNAGE NAAR LENGTEKLASSE

 

Van slechts 14 poonschuiten is het tonnage bekend. Daarom moet men wanneer bij voorbeeld lengte en breedte bekend zijn terughoudend zijn met het schatten van het tonnage. Twee poonschuiten met een gelijke breedte en een gelijke lengte kunnen zomaar 6 ton in grootte schelen. Dat kan natuurlijk te maken hebben met de holte. Die in dit specifieke geval niet bekend is.

 

circa 25 - 30 ton             11 – 13 meter

circa 30 - 40 ton             13 – 14 meter

circa 45 - 55 ton             14 – 15 meter

 

Schepen die eind achttiende eeuw via de Mallegatsluis van Gouda wilden varen moesten een consent (een vergunning) kopen. Het bedrag hing af van de grootte van het schip. Een door de stad aangestelde scheepsmeter moest schepen zonder meetbrief meten. De meetgegevens over de jaren 1783, 84, 86 en 87 zijn bewaard gebleven. Er werden in die periode 116 poonschuiten gemeten. De grootte liep van 6 tot 15 last, omgerekend van 12 tot 30 ton.[1]

 

[1] Holland, Regionaal-Historisch Tijdschrift, 11e jaargang, nr. 1, feb. 1979, 12.

Binnenscheepvaart door Gouda in de 17e en 18e eeuw, door J.E.J. Geselschap, pag. 12 e.v.

Te raadplegen op: http://tijdschriftholland.nl/jaargang-11-1979/

 

BOUWPLAATSEN VAN POONSCHUITEN

 

In 1688 werden door Gijsbert Jansz en Maarten Dircksz, timmerlieden te Maassluis een nieuw getimmerde poonschuit geleverd voor Cornelis Jansz van Ingen eveneens wonende te Maassluis.[1]

Scheepstimmerman Cornelis Ros bouwde in 1703 te Bergen op Zoom een nieuwe poonschuit voor Frans van Hoogstraten.[2]

E.W. Petreus noemt in zijn boek ‘Oude zeilschepen en hun modellen’ uit 1971 een aantal plaatsen waar de poonschuit werd gebouwd. Te weten IJsselmonde, aan de Hollands IJssel, in Alblasserdam, Dordrecht, Kapelle[3] en aan de Willemstad. Maar ook te Boskoop en andere plaatsen. Petreus somt hier het lijstje op zoals P. le Comte dat deed in zijn boek ‘Afbeeldingen van vijftig schepen en vaartuigen’ uit 1831.

In de door mij verzamelde gegevens vond ik nog een paar andere plaatsen. Zoals Maassluis, Bergen op Zoom, Waspik, Puttershoek, Gorinchem en Rupelmonde (B).[4]

 

[1] Oud-rechterlijk Archief Schiedam, inv.nr. 352, Giftbeok akten van transport, 24-07-1688 t/m 08-05-1694. Geraadpleegd via https://vdocuments.mx   april 2018.

[2] Cornelis Ros was de schoonvader van mijn directe voorvader bakenmeester Jacobus Danielse Touw

[3] Waarschijnlijk wordt hier Capelle aan den IJssel bedoeld.

[4] Job Vincentsz Dronkers, (1770-) veerman van Doel op Lillo, verkoopt 05-02-1781 zijn poonschuit (nieuw gebouwd door de scheepmaker Johannes Roelands te Rupelmonde in 1776) aan Job Arysz Dronkers. [uit J.M.G. (Han) Leune Lillo en Liefkenshoek, webversie jan. 2018]

 

JACHTPOON

 

Het Maritiem Museum Rotterdam bezit een pentekening met het spantenplan van een poon. Hier is te zien dat het achterschip behoorlijk gepiekt is. Gezien de versiering rondom het raam en de kop op het roer zou men dit een jachtpoon kunnen noemen. Maar voor het zelfde geld kan het een kopjacht zijn.

Collectie MMR T257. Pentekening van een spantenplan van een poon. Maker J.Vlaming. (1755-1765). Schaal; 1 (voet?) op 1.5 cm.

Detail van vorige tekening. Achtersteven.

 

Op 20 augustus 1805 koopt de Waspikse scheepmaker Daniel Sneeuw voor 200 gulden het hol van een jachtpoon van Adriaan van Driel. Het schip ligt in de haven.

En op 30 september 1805 verkoopt dezelfde Daniel Sneeuw een zogenoemde jachtpoon aan Anthonie Verbeek uit Veen. Het zal vermoedelijk het hier bovengenoemde schip zijn dat hij doorverkoopt.

 

In de registers van de patentbelasting te Bergen op Zoom wordt Daniel Touw Jz (1814-1883) in de jaren 1871 / 1873 genoemd als eigenaar van een jachtpoon. Deze poon was 34 ton groot en heette ‘Goede Verwachting’. Of Daniel in 1860 dit schip al in zijn bezit had is niet bekend. Wel dat hij op 14 augustus van dat jaar meedoet aan een zeilwedstrijd voor vracht- en beurtschepen op de Oosterschelde. Hij wint de eerste prijs en krijgt een zilveren cylinder-horloge.

In dezelfde periode bezitten meer Bergse schippers een schip dat omschreven wordt als jacht. Of we die ook tot de jachtponen mogen rekenen laat de afwezigheid van verder bewijs niet toe.

 

Wanneer een vrachtschip de toevoeging jacht krijgt kan men er vanuit gaan dat het schip wat scherper gebouwd en zodoende wat scherper aan de wind kan zeilen. Ook een langere giek en daardoor grotere zeilen kunnen aanleiding geven een bepaald type schip jacht te noemen. Nu vergeet ik nog de versieringen die vroeger op schepen voorkwamen. Zoals verguld en in veel kleuren geschilderd houtsnijwerk en niet te vergeten de kop of andere beeldhouwwerk op het roer. Al deze zaken maken van een schip een jacht. Nog steeds zeggen schippers van een schip dat goed in de lak zit dat het eruit ziet als een jacht.

Collectie Rijksmuseum. Detail van een foto van een ‘Halfmodel van een jacht’

afkomstig van het Ministerie van Marine.

Dit roer van een jacht lijkt enorm veel op het roer zoals het voorkomt op de tekening en op het halfmodel van een poon.

 

SPIEGELPOON        

 

Slechts een maal heb ik de term spiegelpoon aangetroffen in een advertentie.

 

Te Nijmegen ligt in 1833 een vaartuig te koop, zijnde een Spiegelpoon, genaamd ‘De Dankbaarheid’, met zeilen en tuigen, staand en lopend want, ankers, kabels, boot en verder toebehoren.[1]

 

Dat zulke scheepjes werkelijk hebben bestaan wordt aannemelijk gemaakt door aantal afbeeldingen. Het hieronder afgebeelde prentje is van de hand van David Kleyne. Kleyne was in 1753 in Bergen op Zoom geboren als zoon van de scherprechter, de beul. Het handwerk van vader en zoon kan niet verder uit elkaar liggen. Voor beide beroepen is trouwens een vaste hand noodzakelijk. Dat Kleyne iets af wist van scheepstypen is door zijn oeuvre goed bekend. Op veel van zijn tekeningen komen poonschuiten voor.

 

[1] Opregte Haarlemsche Courant 18-06-1833

Ets aquatint van David Kleyne (1763-1805) Omschrijving: Poon op open water. Collectie Rijksmuseum Amsterdam. Obj,nr, RP-P-1885-A-9136.[1]

 

[1] Op een andere prent uit dezelfde serie in het bezit van het Rijksmuseum ‘Een Zeijl Sloep’ staat met pen geschreven: D. Kleyne Delin e Fecit te Middelburg. Delin e Fecit betekent zoveel als getekend en geëtst.

 

Dat dit spiegeljacht een poon is zal toch voor velen een verrassing zijn. Het Maritiem Museum Rotterdam bezit dezelfde prent maar daar is de omschrijving als volgt: voorgesteld is echter geen poon, doch een spiegeljachtje. Het scheepje zeilt met halve wind over stuurboord van de beschouwer af.

Er bestaat een schilderij van dezelfde kunstenaar. Goed, denk je, daar zeilt een poonschuit. Maar dan kijk je wat beter naar wat er te zien is onder het grootzeil. Juist, precies een zelfde paviljoen als op de prent van het spiegeljachtje.

 

Detail van een schilderij van David Kleyne (1763-1805) Omschrijving: Een paviljoenpoon. Collectie Het Scheepvaartmuseum te Amsterdam. Inv.nr. A.0649(01).

 

De hieronder staande anonieme technische tekening van een spiegeljacht laat het zelfde type vaartuig zien als op de twee voorgaande afbeeldingen. Waarom men het beschrijft als een kotter is mij niet bekend. Misschien omdat bij een kottertuig de giek tot buiten het schip uitsteekt.

 

Detail van een anonieme technische tekening. Collectie Maritiem Museum Rotterdam T1460. Omschrijving: Een spiegeljacht. Zijaanzicht van een kotter.

Het voorschip heeft de lijnen van een poon.

 

ZEEGAANDE POONSCHUITEN

 

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) geeft een vroeg voorbeeld uit 1693 van het gebruik van een poonschuit op zee.

 

…’,Smergens… gingen sij in zee met een scheepje, dat sij een Poon (?) noemen ende vis mede voeren, om het schip van Heemskercken te gaen soecken…[1]

 

In 1769 maken een aantal Zeeuwse regenten een reis naar van Vlissingen naar Londen. Op 6 augustus om vijf uur in de morgen schepen vier heren en hun ‘domestieken’ zich in op ’s Lands Poon ‘de Triton’. Het schip doet er twee uur over om van Vlissingen de zandplaat ‘De Paardemarkt’ voor de kust van Cadzand te bereiken. Vandaar gaan ze via het Zwin, ook Sluise Gat genoemd, naar Sluis en stappen ze de andere dag in een koets richting Calais[2]

 

In het Zeeuws archief bevindt zich een Journaalboek bijgehouden door Pieter Moens, schipper van de poonschuit ‘Den Atlas’ en de sloep ‘de Marianne’. De poonschuit en de sloep waren eigendom van ‘Sociëteit ter Navigatie op Essequebo en annexe rivieren’.[3]

Hoe deze poonschuit in Zuid-Amerika terecht is gekomen is niet bekend. Van de VOC is het bekend dat zij kleinere schepen aan boord van grote Oost-Indiëvaarders meenamen. Eerst waren dit de zogenoemde ‘Afbreekboten’. Typen als sloep, sloepjacht of roeifregat werden in stukken gezaagd en daar waar ze nodig waren weer in elkaar gezet. Dit leverde niet zulke beste resultaten op. Later werden de delen apart gebouwd en zo als bouwpakket verscheept. [4]

 

[1] WNT, C. Huygens Jr., Journ. 2, 279 [1693].’

[2] Irene Storm van Leeuwen, Reislustige Zeeuwse Regenten, Hilversum 2017, p. 11.

[3] Zeeuws Archief, 2802 A.A. Brown, Veer, 1734, 1752-1784.

  1. Journaalboek bijgehouden door Pieter Moens. 1775-1778. 1 deel.

  2. Inventaris van de poonschuit ‘Den Atlas’, 1777, 1 stuk

[4] Bron: De VOC site   www.vocsite.nl

 

De VOC bezat in 1779 een zeegaande poon. Of het schip alleen aan de Nederlandse kust opereerde is niet bekend. In een verslag van de reddingsactie van Frans Naerebout van het Oost-Indische schip Woestduin op 23 juli 1779 voor de kust van Walcheren is te lezen dat het zo stormde dat ...het vaartuig der Oost-Indische Maatschappije, zijnde een welbezeilde poon, en ten dien tijde te Vlissingen liggende, niet durfde wagen in zee te gaan,…[1] Terwijl Frans Naerebout het met zijn eigen poonschuit wel deed en veel mensen redde.

 

In 1809 werd het poonschip ‘de Zeeploeg’ van schipper J.H.Dasveld bij Texel door ’s Rijks recherche aangehouden. Het schip dat onder andere geladen was met 598 ossenhuiden kwam van Bergen in Noorwegen. Het schip dat 17,12 meter lang, 4,95 meter breed en 1,98 meter hol op zijn uitwatering was, werd later geveild.[2]

 

In 1810 werd het poonschip ‘Margrietha’ met schipper Berend Freriks aangehouden. Het schip was te Emden binnengelopen komende van Varel met een lading koffie, peper, suiker en verfhout.[3]

 

Op de avond van 18 december 1830 werd door enige gewapende manschappen van Z.M.’s oorlogsfregat ‘Euridice’ te Vlissingen een paviljoen-poonschuit opgebracht. Deze was onderweg van Rotterdam naar Hull.

 

[1] Bericht wegens het verongelukte Oost-Indische schip Woestduin; en de reddinge der schepelingen door de gebroeders Naerebout, Middelburg 1780, p. 16.

[2] Amsterdamsche Mercurius , volume 7, MDCCCXI

[3] Koninklijke Courant, 25-05-1810.

POONSCHUITEN IN DE VISSERIJ

 

Adriaen Jacobssen, schipper wonende te Rupelmonde, verkoopt in 1737 aan Matthijs Gorten, visser te Bergen op Zoom een visschuit zijnde een poonschip met een beun en zijn zeillage, ankers, kabels, touwen en verder want en toebehoren’ voor de som van 425 gulden.[1]

 

In 1757 werd er te Bergen op Zoom opnieuw een poonschuit verkocht. Visser Jan Touw (1722-1790) wordt het eens voor een prijs van 460 gulden met zijn neef Daniel Touw[2] Acht jaar later verkoopt Daniel Jacobusse Touw (1719-1785) zijn poonschuyt met fuyken en netten, kortom zo alles rijlt en zijlt.[3]

 

Op 31 juli 1784 werd er te Bergen op Zoom in de herberg genaamd ‘Amsterdam’ op de haven aldaar publiek verkocht een ‘visch-poon en beunschuit’. Een paar jaar geleden nieuw uitgehaald. Lang over de stevens 37 en wijd op de berghouten 14 voeten en 3 duimen.[4]

Door deze mededeling dat de te verkopen ‘visch-poon’ enkele jaren daarvoor nieuw was gebouwd kunnen we er van uit gaan dat er in ieder geval sommige poonschuiten speciaal voor de visserij werden gebouwd.

 

In 1820 werd er een vispoon, met koperen kaarboorden[5], lang over steven 42 voeten en wijd op de berghouten 15 voeten, Rijnlandse maat in Dordrecht te koop aangeboden.[6]

 

[1] WBA NA, inv.nr. 0450, aktenr. 12, 16-03-1737, notaris François Bolcoel.

[2] MHC, Not. 602 nr. 8, 6 feb. 1757.

[3] MHC, Not. 610 nr. 19, 23 feb. 1765.

[4] Hollandsche Historische Courant 22-06-1784.

[5] Geperforeerde platen die deel uitmaken van de beun of kaar.

[6] Dordtsche Courant 29-02-1820