Wie mag zich een Bergse schipper noemen ?

 

 

Kan iemand, die zich in Bergen op Zoom bij het Bevolkingsregister heeft laten uitschrijven naar Halsteren, die als zetschipper op een schip vaart dat in Dordrecht geregistreerd is, die zelf in Antwerpen is geboren en later in Doesburg getrouwd is met een Groningse vrouw en wiens kinderen in Ruhrort en Nijmegen zijn geboren, een Bergse schipper genoemd worden. Het antwoord, hoe ongelofelijk ook, is: Ja.

Zie hier meteen het probleem waarmee iemand, die probeert een onderzoek te doen naar de schippers en schepen van Bergen op Zoom, geconfronteerd wordt. Het bovenstaande voorbeeld is gefingeerd, maar geloof me, er waren eind negen-tiende en begin twintigste eeuw veel Bergse schippers met soortgelijke geboorte-, huwelijk- en domiciliegegevens.

 

Om uit te zoeken wie zich een Bergse schipper mocht of kon noemen raadpleegde ik in de eerste plaats de gegevens uit de Volkstellingen en het Bevolkingsregister. In hoeverre zijn deze gegevens betrouwbaar? Wanneer iemand ergens een wettig domicilie heeft betekent dat niet anders dan dat hij of zij staat ingeschreven in de bevolkingsadministratie. Dat hield niet in dat de geregistreerde er ook daadwerkelijk woonde. Het Bevolkingsregister geeft een juridisch beeld van de bevolking, dat niet met de werkelijkheid hoeft overeen te komen. In de negentiende eeuw was de werkelijke bevolking in alle steden groter dan de wettige.[1]

Veel Bergse schippers waren op papier geen echte Bergse schippers meer. Dit had verschillende oorzaken. Een belangrijke oorzaak was de manier van belasting heffen van voor het jaar 1926. Rijksbelasting bestond toen nog niet. Alle belastingen werden door de gemeenten geïnd. Er waren grote verschillen. Zo betaalde men over het inkomen in Bergen op Zoom veel meer dan in veel andere plaatsen. Kies- en Gemeentewetten bepaalden dat iedere burger domicilie moest kiezen. Voor veel schippers die aan boord woonden was de keus om zich naar een andere gemeente te laten overschrijven niet moeilijk. Bepaalde, niet altijd aan het water gelegen gemeenten als Vlijmen en Halsteren waren aantrekkelijke plaatsen om domicilie te kiezen, want zij onthieven schippers van gemeentebelasting. De schippers maakten immers niet of nauwelijks gebruik van gemeentelijke voorzieningen.

[1] Schrover, Registratie van vreemdelingen, 101.

 

Voor veel Nederlandse gemeenten bleef de schipper echter tot 1926 een financiële bron waaruit men zonder veel kosten kon putten. Men kreeg van hem de inkomstenbelasting en behoefde zich verder niet om hem te bekommeren. [1] Dordrecht inde per jaar ƒ 75.000 à ƒ 100.000 van de schippers. De Dordrechtse gemeenterekening van 1924 kende een batig slot op de gewone dienst van ƒ 647.260.[2] Een niet onaanzienlijk deel van de gemeente-inkomsten kwam dus van de schippers.

Achteraf gezien is het onbegrijpelijk dat de gemeente Bergen op Zoom zijn schippers heeft laten gaan. Na de Eerste Wereld-oorlog begon de verhuizing naar goedkope gemeenten eerst goed. Een plaats als Heumen groeide in 1923 in een jaar tijd van 2160 naar 3105 inwoners, voornamelijk door schippers.[3] De schippers vielen er in een gunstig tarief voor de inkomstenbelasting en waren vrijgesteld voor de gemeentebelasting. De papieren verhuizing nam zulke massale vormen aan dat het Rijk er een stokje voor wilde steken. In 1921 werd de gemeentelijke inkomstenbelasting voor het eerst afgeschaft. Na veel protest werd deze door minister De Geer weer ingevoerd. Pas na vijf jaar ging men over tot de Rijksinkomstenbelasting.

Dit betekende geen oplossing voor het domicilieprobleem. Dat was geen probleem van de schippers, maar een probleem voor de gemeentelijke en vooral de Rijksoverheid. Overheden kunnen slecht tegen bevolkingsgroepen die zich vaak verplaatsen. Hoe houd je contact met je burgers wanneer die er vaak wisselende postadressen op na houden?

Vanaf 1926 begon de trek van de Bergse schippers naar de werkelijke schippersgemeenten als Rotterdam, Dordrecht, Maas-bracht, Vreeswijk en Terneuzen pas goed. Eerder was het nabijgelegen Halsteren, nota bene een plaats zonder haven, een favoriete uitwijkplaats. Was aanvankelijk belastingontwijking een oorzaak van het verdwijnen van de schippers uit Bergen op Zoom, het zal blijken dat er meer aan de hand was. Ook na 1926 bleef de leegloop doorgaan. Het domicilieprobleem bleef voor de overheid een heikel punt. Daarom werd na 1929 een gedeelte van de schippers die geen vaste woonplaats hadden, ingeschreven in het Centraal Bevolkingsregister in Den Haag en niet in een gemeentelijke administratie.

[1] De Hoog, De Nederlandsche Binnenscheepvaart, 137

[2] Nieuwe Rotterdamsche Courant, zondag 24 januari 1926.

[3] De Hoog, De Nederlandsche Binnenscheepvaart, 202

 

Om simpelweg een overschrijving naar een andere gemeente als criterium te gebruiken om te bepalen dat iemand geen Bergse schipper meer was, is niet voldoende. Welke plaatsnaam er ook op de naamplank van het schip stond, Bergen op Zoom was en bleef voor een aanzienlijk aantal schippers de werkelijke thuishaven. Er moet van geval tot geval gekeken worden of er nog steeds banden waren met Bergen op Zoom. Waar bijvoorbeeld ging de schipper wonen die om leeftijd- of gezondheidsredenen de lier aan de wilgen hing?

Het is duidelijk dat er nog andere factoren in het vertrek van de schippers uit Bergen op Zoom meespeelden dan alleen het zoeken van belastingvoordeel. In de hierna volgende hoofdstukken zal een beeld geschetst worden van deze oorzaken.

 

VERVOLG KLIK SCHIPPERSFAMILIES 8