DE SCHIPPEREIGENAAR

 

 

Het was niet altijd duidelijk wie er precies eigenaar was van een bepaald schip. Bij de schippereigenaar lijkt het duidelijk. Maar heel vaak zal het schipper-mede-eigenaar zijn geweest. Hoe de zaak financieel in elkaar stak was iets wat men niet gauw aan de grote klok hing. Nog geheimzinniger was men wanneer er schuld op het schip rustte. Het schip werd dan ingeschreven in het register van hypotheken en werd gebrand. In de tijd van de houten schepen gebeurde dat letterlijk. Door middel van een brandijzer kreeg het schip een nummer. Ik heb me laten vertellen dat dit vaak op of juist onder de drempel van de roef werd aangebracht.[1] Voor de schipper die niet wilde laten weten dat hij schuld had een rotplek. Het was voor iedereen zichtbaar. Om het te verbergen werd er een koperen plaat overheen gespijkerd. Die werd elke week gepoetst. Het schuldenvrij zijn van het schip werd vroeger symbolisch kenbaar gemaakt door de mastkloot te vergulden.

[1] Bij schepen zonder roef was het achterschild, de opstaande achterwand van het ruim, de plaats waar het nummer werd ingebrand.

           

MASTKLOOT

Mast- of topkloot is de uivormige versiering op de top van de mast. Toen mijn oudste zus in 1964 in het huwelijk trad, heb ik in opdracht van mijn vader de mastkloot met bladgoud verguld. Het enige wat hij ervan zei was dat het traditie was. Eigenlijk is dit gebruik in tegenspraak met het verbergen van het ingebrande nummer. Op elk schip zonder vergulde mastkloot moest dan schuld rusten.

 

Vaak kwam het voor dat een scheepsbouwer wel iets zag in een jonge schipper en hem krediet verschafte. Dit krediet kon de vorm hebben van een soort huurkoopregeling. Bekend is ook het zogenoemde boerenkrediet. Het betrof hier kapitaalkrachtige lieden die rechtstreeks een schipper geld leenden om een schip te kopen of te laten bouwen. Een en ander werd wel vastgelegd bij de notaris. Er waren talloze manieren om aan geld te komen om zich een schip te verschaffen.

 

De Friese Jhr. Mr. J.H.F.K. van Swinderen (1837-1902), burgemeester van Gaasterland en Lid van zowel de Tweede als Eerste Kamer had bij zijn overlijden 3200 schuldenaars, waaronder 1400 schippers.[1]

 

Sommige particuliere schippers hadden hun schip ondergebracht in een Naamloze Vennootschap. Zelden was de schipper de bezitter van alle aandelen. Vaker waren andere familieleden medeaandeelhouders. Ook kwam het voor dat niet-schippers een NV oprichten en gezamenlijk een schip lieten bouwen. Dan zochten ze een zetschipper en een van de aandeelhouders functioneerde als boekhouder. Na een aantal jaren werd het schip verkocht; niet zelden aan de zetschipper.

Zoals gezegd ging bij de particuliere schippers het schip over van vader op zoon. Dat kon tot problemen leiden als er meer zoons waren. Rijke schippers probeerden al hun zoons aan een schip te helpen. Het eigendom van de schepen kon lang in handen blijven van de vader. De zoons voeren dan voor een vast weekgeld. De winst was voor de vader.

Meer dan eens is het voorgekomen dat er bij het verdelen van de boedel van een schippersechtpaar problemen optraden met de kinderen die niet op de schepen voeren. Zij wilden dan een even groot aandeel als de kinderen die hun ziel en zaligheid aan de schepen hadden gegeven. Dit speelde vooral als de prijzen van de schepen hoog stonden. Na de Eerste Wereldoorlog waren de prijzen van schepen omhooggeschoten. Boeren hadden het wat betreft boedeldeling iets gemakkelijker. Land laat zich beter delen dan een schip. Ik heb het hier over 'grote' boeren. Het verdelen van een kleine boerderij is ook lastig. Wanneer broers en zusters hun erfdeel opeisten en dat in één schip stak, kwam degene die met het schip voer in problemen. Het kwam voor dat hij het schip moest verkopen om zijn broers en zusters uit te betalen.

[1] Weekblad Schuttevaer, 20 en 27 september 1902.

 

OM ZIJN EIGEN SCHIP TE FINANCIEREN LIET EEN SCHIPPER ZIJN ZWAGER FAILLIET VERKLAREN

Kees Touw (1876-1944), mijn grootvader, kreeg in 1898 te Ruhrort verkering met Pleuntje Huisers (1877-1963), een meisje uit Numansdorp. Zij was na het overlijden van haar vader aan boord gekomen van de Goede

Verwachting, de in 1897 te Moerdijk gebouwde klipper van haar zus Ka en zwager Hannes van Essen. Pleuntjes moeder was al eerder overleden. Na verloop van tijd wilden Pleuntje en Kees trouwen. Zij besloten in 1902 ook een klipper te laten bouwen. Kees had wat spaargeld, maar Pleuntjes erfenis zat in de Goede Verwachting.[1] Een aantal malen is om dat geld gevraagd. Maar zwager Hannes kon niet betalen. Toen is het geld gerechtelijk opgeëist. Dinsdag 6 maart 1906 werd Van Essen failliet verklaard.[2] De Goede Verwachting werd op 31 maart publiek verkocht in de herberg van de gezusters Hofman te Zuid-Beijerland. Het schip lag toen in de haven aan de Hitzertsche Kade. [3] Van Essen raakte zijn schip kwijt en werd bootwerker in Rotterdam. Tussen de families Van Essen en Touw is het nooit meer goed gekomen.[4]

[1] Pleuntje’s vader had in 1885 een flinke som geërfd van zijn kinderloze tante Mijna Dane-Huijzers (1795-1885). Zij was in 1838 als dienstbode met haar werkgever gehuwd, de rijke koopman van hout en wethouder van Willemstad Huibert Dane (1798-1849). Naar de erfgenamen van Mijna ging in totaal ƒ 24.500 en naar de erfgenamen van Huibert, die tot het overlijden van Mijna op hun geld hadden moeten wachten, ging ƒ 52.500.

[2] Rotterdamsch Nieuwsblad, 8 maart 1906, 1.

[3] Rotterdamsch Nieuwsblad, 27 maart 1906, 12.

[4] Zie bijlage Touw 2 sub IV e 

De Goede Verwachting in de haven van Numansdorp rond 1900, rechts uitsnede: de vrouw links is mijn grootmoeder Pleuntje Huisers . Foto collectie Kees Touw.

 

We hebben nu gezien dat de schippers van Bergen op Zoom sterk gehecht waren aan de gewoonten die van generatie op generatie werden doorgegeven. Dat er een ander tijd aankwam met nieuwe gewoonten laat het volgende hoofdstuk zien.

 

VERVOLG KLIK SCHIPPERSFAMILIES 7