DE SCHIPPER IN HET STRAATBEELD

 

 

Waren schippers op straat als zodanig herkenbaar? Jazeker, om te beginnen door hun manier van kleden. Rond 1900 droegen particuliere Rijnschippers vaak een jekker met daaronder een coltrui en als ze de stad ingingen zetten ze een bolhoed op, de zogenoemde Garibaldi. Die bolhoed was na het overlijden van Garibaldi in 1882 in de mode gekomen. Ook speciale schippers-petten die ze kochten in Antwerpen of Ruhrort gaven de schippers een onmiskenbaar herkenbaar uiterlijk. Elke tijdgenoot wist: daar gaat een schipper.

 

Het is zo goed als zeker dat alle mannen, ook die op de voorgrond, schippers zijn. Behalve dan de politieagent rechts. We zien hier jekkers, schipperspetten en bolhoeden. Op zaterdag 27 januari 1917 werd in Amsterdam na felle acties het feit gevierd dat het regeringsgraan voortaan via een beurtlijst zou worden bevracht. Het was koud op die dag: in Friesland werd de derde Elfstedentocht gereden. De Algemeene Schippersbond was toen de grootste schippersorganisatie. Op de foto moeten de bekende voorlieden van de ASB staan: Voorzitter Van Delft, Mariouw, Frederik van de Zande, de voorman van de Amsterdamse afdeling en een zekere Bordewijk. Alleen de man links met de bolhoed en het geretoucheerde gezicht is mij bekend. Dat is Toon Touw (1874-1934) een broer van mijn grootvader. Mijn vader kreeg deze foto in de jaren zeventig van een oude schipper die deze foto altijd in zijn portefeuille bewaard had, met de mededeling: “Ik geloof dat jou vader op deze foto staat”. Mijn vader en zijn broers herkenden echter hun oom Toon. De locatie is de Beursstraat met op de achtergrond de Oudebrugsteeg. Het café Het Wapen van Amsterdam van Johan H. Kaljee werd druk bezocht door de schippers, want daar zaten de kolenbevrachters met werk voor de steenfabrieken. De fotograaf stond met zijn rug naar de Beurs van Berlage. De schippersbeurs, die in 1903 was opgericht, was bereikbaar via de achteringang van de beurs van Berlage aan de Oudebrugsteeg.

 

Op negentiende-eeuwse paspoorten van schippers is bij ‘bijzondere kenmerken’ vaak te lezen: ‘gaatjes in de oren’. In die tijd droegen vissers en schippers gouden ringen, ankertjes of scheepjes in hun oren. Vaak kun je lezen dat het een praktisch doel had. Mocht iemand overboord slaan, om uiteindelijk als onbekend stoffelijk overschot ergens aan te spoelen, dan zou het goud in de oren er voor zou zorgen dat men niet van de armen begraven hoefde te worden. We kunnen echter gevoegelijk aannemen dat de oorringetjes voor de sier werden gedragen. Het bezit van gouden sieraden drukte welstand uit. Het dragen van oorringen begon al voor 1900 sterk te verminderen.[1]

In hun werk droegen de schippers hun werkkleding. Daarom gingen hun, weinig gedragen, kostuums heel lang mee. Wanneer je er oog voor had kon je ze herkennen aan de degelijke nette ouderwetse kleding en omdat ze altijd buiten werkten, aan hun bruinverbrande koppen. Dat schippers een motorschip hadden, kon je overigens ook ruiken. Hun gehele garderobe was doortrokken van een gasoliegeur.

[1] Dessens, Nederlandse Zeilende Binnenvaart, 20-21.