CHOLERA

 

 

Drinkwater was vaak een probleem voor schippers, vooral in droge zomers. In kleinere plaatsen konden ze dan terecht bij de kerk. Het regenwater van het kerkdak werd opgevangen in een ondergrondse waterkelder, een zogenoemde cisterne. De kwaliteit van het water liet vaak te wensen over. Soms was het rood van de watervlooien. Schippers gebruikten regelmatig oppervlaktewater, door hen buitenboordwater genoemd, als drinkwater en niet altijd werd dat eerst gekookt.

 

BUITENBOORDKRAAN OM DE WATERTANK TE VULLEN

Op de klipper Zuid-Nederland van mijn grootvader was het zelfs mogelijk om een buitenboordkraan open te zetten om de watertank te vullen. Mijn vraag aan mijn vader die dat zelf voor 1923 als jongen nog had meegemaakt:

‘Waar deden jullie dat dan?’ ‘Over de eb in het Hollands Diep’, was zijn antwoord.

 

In de negentiende eeuw was cholera met enige regelmaat de veroorzaker van grote sterfte onder de bevolking. Toen ontdekt werd dat de ziekte verspreid werd door besmet (drink-) water begon men in de grote steden riolering en een waterleidingnet aan te leggen. De laatste echt grote cholerauitbaak was in 1866. In Nederland vielen 21.000 slachtoffers.

België, maar speciaal de gemeente Antwerpen, heeft in 1893 lang volgehouden dat er daar toen geen cholera heerste. Later bleek waarom: de landverhuizersbusiness moest ongehinderd kunnen doorgaan. Een te Antwerpen gestationeerde Amerikaanse arts dreigde geen verklaring van gezondheid voor de landverhuizers meer te kunnen afgeven. Hij kreeg een verklaring van de Belgische overheid dat Antwerpen absoluut choleravrij was. Wanneer mensen al cholera-achtige ziekteverschijnselen vertoonden kwam dat door de tropische hitte die heerstte in die augustusmaand.

Het Algemeen Handelsblad nam op 25 augustus een bericht over uit de Londense Daily News: Op 24 augustus waren er in Antwerpen 26 ziektegevallen geconstateerd waarvan er 14 waren overleden. Maar in de Antwerpse bladen verscheen hierover geen woord. Een verslaggever van de Tilburgsche Courant berichtte hierover:

 

‘Dit is gelijk men weet, systeem. Als het al over cholera gaat dan is het uitsluitend over gevallen die in het buitenland geconstateerd zijn.’ [1]

[1] Tilburgsche Courant’, 17 september 1893.

 

Nederlandse binnenschepen waar zieken aan boord waren, werden niet in quarentaine genomen maar konden gewoon vanuit Antwerpen vertrekken. Nadat zich eind augustus 1893 te Hansweert aan boord van Nederlandse binnenschepen plotselinge sterfgevallen hadden voorgedaan, werd geconstateerd dat er aan boord van die schepen cholera heerste. De schepen kwamen van Antwerpen en hoorden thuis te Bergen op Zoom. Het ging hier om de Vooruitgang van Dirk Cornelis Touw (1860-1918) en de Drie Gezusters van Dirk Cornelis Schot (1856-1924). Zij waren met hun houten tjalken op of kort voor 18 augustus in Hansweert aangekomen.

De zieken werden opgevangen in Hansweert en verpleegd in een speciale barak. De schepen werden door de rijkspolitie bewaakt: niemand mocht de wal op. Kleding en beddengoed werden in een ontsmettingsoven uitgestoomd.[1]

Janna van Bemden, de vrouw van Dirk Cornelis Schot, overleed op 18 augustus 1893 aan de gevolgen van cholera. Haar overlijden werd aangegeven in Kruiningen. Hansweert behoorde toen tot de gemeente Kruiningen. Ook hun twee jongste kinderen, een van bijna twee jaar en een van zes maanden stierven op respectievelijk op 20 en 27 augustus.

Twee kinderen van Dirk Cornelis Touw kwamen in Hansweert te overlijden: de 7-jarige Cornelis en zijn vier weken oude broertje Pieter. De schippersknecht Cornelis A. Touw (1842-1893), geen directe familie van schipper Dirk Cornelis Touw, overleed op 24 augustus op 51-jarige leeftijd.[2] De Telegraaf berichtte op 29 augustus dat van de twee schepen er in het geheel tot dan toe vijf personen waren overleden.[3] Touw heeft met vrouw en kind de barak hersteld kunnen verlaten. De vrouw van Touw, Sophia Wilhelmina Schot, was een volle nicht van Dirk Cornelis Schot.

[1] De Telegraaf, 26 augustus 1893.

[2] Hij was een zoon van Johannes Touw en Maria Catharina Wagemakers. De gemeenschappelijke voorvader was zes generaties terug. Hun overgrootvaders waren achterneefs.

[3] De Telegraaf, No. 240, dinsdag 29 augustus 1893, 2.

 

Een paar dagen later dan de eerste twee schepen kwam er nog een Bergse schipper vanuit Antwerpen te Hansweert. Huijbrecht Jacobus Schot (1858-1944) kwam op maandagavond 28 augustus met de houten aak Dageraad te Hansweert. Grietje de Groot, zijn vrouw, was al in Antwerpen overleden. Hier blijkt opnieuw dat een schip met zieken aan boord gewoon uit Antwerpen mocht vertrekken. Begin september werd nog een kind van schipper Schot van de Dageraad naar de barak voor choleralijders gebracht. Enkele uren na binnenkomst was de kleine er overleden. Dit was tot op heden het achtste sterfgeval geval schreef het Rotterdamsch Nieuwsblad op 4 september. [1]

Gemeenteveldwachter Van Den Boogaart die in die periode ter plaatse proces verbaal moest opmaken was ook ziek gewor-den. Aanvankelijk leek hij op te knappen maar uiteindelijk kostte de cholera ook hem het leven. 

 Op 5 september berichtte Het Nieuws van de Dag dat de huishoudster van schipper Schot van de Dageraad was overleden.[2] Waarschijnlijk had Schot hulp gekregen om voor de kinderen te zorgen. Een paar dagen later was het gevaar geweken en mochten de schepen hun reis vervolgen. De families verkeerden in diepe rouw.

 

Op meer plaatsen in Nederland waren mensen besmet geraakt met cholera en vielen sterfgevallen te betreuren. De kranten stonden bol van adviezen om besmetting te voorkomen. Besmet drinkwater was boosdoener nummer een.

[1] Rotterdamsch Nieuwsblad, maandag 4 september 1893, 6.

[2] Het Nieuws van den dag, dindsdag 5 september 1893, 5.

 

VERVOLG KLIK SCHIPPERSFAMILIES 14