ENDOGAME HUWELIJKEN

 

Er bestond bij de Bergse schippersfamilies een oud gezegde: ‘De Van Dorten en de Hazen zitten met Schotten en Touwen vast aan De Wakkeeën’.  Dan is er niet aan te ontkomen om te onderzoeken wat daar van waar is. Men spreekt van endo-game huwelijken wanneer de huwelijkpartnerkeuze beperkt blijft tot de bewoners van het eigen dorp of de eigen gemeen-schap. Binnen de Bergse protestante schippersbevolking was er een sterke voorkeur om te trouwen binnen de eigen kring.

 

Schermafbeelding2017-11-06om165939.png

 

Bij de huwelijken van partners met dezelfde familienaam zoals hierboven te zien is: vier maal een huwelijk Van Dort-Van Dort, tweemaal een huwelijk Schot-Schot en eenmaal een huwelijk Touw-Touw lijkt het familie-zijn van elkaar duidelijk. Maar heel vaak zijn er meer familierelaties, die maken dat de bruid en bruidegom nog nauwere familiebanden hebben dan op het eerste gezicht duidelijk is. Dat kan ik duidelijk maken door het huwelijk van mijn oudtante Agatha Elisabeth Touw (1881-1939) met Johannes Barnoldus (Bart) Touw (1877-1912). Via de de familie Touw was de gemeenschappelijk voorouder in de achtste generatie. Maar via de familie Schot was de gemeenschappelijke voorouder in de vierde generatie.

Consanguine huwelijken, huwelijken tussen bloedverwanten, leken meer gewoon dan uitzonderlijk te zijn. Factoren als het bezitten van schepen, religie en het eigen sociaal-culturele karakter van de Bergse schippers leiden tot deze voorkeur. Bij de Bergse schippers werden verhoudingsgewijs vrij vaak huwelijken tussen achterneef en achternicht gesloten. Zelfs huwelijken tussen neef en nicht kwamen regelmatig voor. Bij veel huwelijken was de bloedverwantschap niet onmiddellijk duidelijk, misschien ook niet voor de betrokkenen. Kijkt men dan echter naar de (bet)overgrootouders dan ziet men de hele reeks namen van bekende Bergse schippersfamilies. Het aantal huwelijken tussen bloedverwanten was niet bij alle Bergse schippersfamilies even groot. Het kwam naar verhouding meer voor bij de families Schot en Van Dort. Daar waren er soms huwelijken tussen neef en nicht in achtereenvolgende generaties.[1]

[1] Zie de website van W.Schot: http//www.genevo.nl

Scheepsbouwers waren op de hoogte van de familieverbanden van hun klanten. Schippersdochters deelden mee in de erfenis van hun ouders. Schipperszoons kregen als ze trouwden met een schippersdochter van hen vrij gemakkelijk krediet. Dus was het vanuit zakelijke overwegingen voordelig om met een schippersdochter te trouwen. Na het overlijden van de man bleef de weduwe bijna altijd op het schip. Wanneer de kinderen nog klein waren nam zij een extra knecht of een zetschipper in dienst. Vaak was die toch ook weer familie. Niet zelden kwam het dan tot een huwelijk.

Het merendeel van de Bergse schippers was protestant, terwijl in Bergen op Zoom het aandeel van katholieke inwoners in de bevolking sinds het midden van de achttiende eeuw steeds groter was geworden. De schippers woonden voornamelijk in de buurt van de haven. Daar woonden ook de vissers en de potmakers die net als de schippers de hervormde religie aanhingen. De hele havenbuurt kon gezien worden als een protestante enclave in een katholieke stad. Misschien hierdoor gedroegen de Bergse schippers zich alsof zij op een eiland woonden.

 

CURIEUZE FAMILIEVERHOUDINGEN

Een voorbeeld van curieuze familieverhoudingen vond ik in de genealogie van schippersfamilie Van Dort. Cornelis Marinussen van Dort (1672-1729) kon zijn vader ook zwager noemen. Daardoor konden zijn kinderen een aantal ooms en een tante ook aanspreken als neef en nicht, daarnaast was hun grootvader ook hun oom. Vader en zoon Van Dort waren met twee zussen gehuwd. Vader Marinus Cornelissen van Dort (1641-1714) was in zijn derde huwelijk in 1685 gehuwd met Elisabeth Jansen de Bout (1650-1714) terwijl zoon Cornelis in 1698 huwde met Maria Jansen de Bout (1670-1737). Cornelis zelf stamde uit het tweede huwelijk van zijn vader.

 

Toch is het lastig om er achter te komen hoe het toch mogelijk is dat ouders het goed vonden dat neef en nicht met elkaar trouwden. Let wel, meestal was er geen sprake van een gedwongen huwelijk. Degenen die ik ken en / of gekend heb vonden het niet gemakkelijk er openhartig over te zijn. Het was hen overkomen, basta! Er werd wel gezegd dat zij rechtvaardiging vonden in het Oude Testament waar Isaäk zijn zoon Jacob naar Laban stuurt om een van diens dochters te huwen. Laban was de broer van Jacob’s moeder Rebekka. (Genesis 27:4 – 28:9) Trouwens ook Jacob’s ouders Isaäk en Rebekka waren verwant: zij waren achterneef en nicht.

Wat kan ik er verder over zeggen. Mijn vader is de dans ontsprongen. In een openhartige bui liet hij zich eens ontvallen: ‘Ik had maar dit hoeven te doen – hij knipte met zijn vingers – of ik was met Dana van Oom Toon onder zeil gegaan.’

 

Het huwelijksgedrag van de Bergse schippers leek sterk op de zogenoemde eiland-endogamie. Maar endogamie kwam niet uitsluitend op eilanden voor.[1] In diverse genealogische publicaties waarin geslachten worden behandeld uit de Westhoek van Noord-Brabant is te lezen dat ook daar onder de boeren veel onderlinge en consanguine huwelijken voorkwamen. Kwartierstaten laten daar veel kwartierherhaling zien. Mr. J.B.W.M. van Roosmalen behandelde een kwartierstaat Van Dis. [2] Het betrof hier de kwartieren van het echtpaar Huibert van Dis en Leentje van Dis. De samensteller Van Roosmalen wees op het feit dat in de negende generatie er van de 256 kwartieren 124 wegvallen. In deze kwartierstaat werd aangetoond hoe nauw verbonden deze West-Brabantse geslachten zijn. Het betrof hier boerengeslachten met veel bezittingen. Zij traden op de voorgrond in de gemeente-, polder- en kerkbesturen.

Dus, evenals bij de schippers speelden zakelijke belangen bij de keuze van een huwelijkspartner een grote rol.

[1] Noordam, Leven in Maasland.

   Verrips, En boven de polder de hemel.

[2] Van Roosmalen, ‘Een Westbrabantsche kwartierstaat’.

 

WINTERNICHTEN: EEN VORM VAN KOPPELEN

Veel huwelijken in de Noord-Brabantse westhoek werden op een geraffineerde manier door de ouders gearrangeerd. Dat gebeurde tijdens het befaamde winternichten. Dan werd in een gezin tijdens de wintermaanden een groepje jongens uitgenodigd om op aangename wijze de avond door te brengen. Zo kwamen de dochters des huizes en een aantal van hun vriendinnen in aanraking met geschikte jongens. Onwelkome huwelijkskandidaten werden eenvoudigweg niet uitgenodigd.

Mijn moeder, een meisje van de wal, afkomstig uit een West-Brabantse familie heeft zelf tussen 1926 en 1936 het ‘winternichten’ nog meegemaakt. Uit het dagboek van Mr. J. van Wijngaarden gepubliceerd op de website van Heemkundekring De Willemstad: Dl. 3, 28 jan.1850 :

 

‘Hij (H.Koomans) had mij geïnviteerd om met hem een pijp te roken. Hij kwam mij om half zeven halen. Het was ongelofelijk glad! Er zaten Heijltje Knook, Anna Timmers, Naatje en Kaatje Timmers en Lena Timmers. Wij amuseerden ons best. Wij bleven souperen, (…) Tot 12 ure bleven wij er en bragten de winternichtjes thuis’. [1]

 

Wanneer schippers in een vreemde haven op vracht moesten wachten dan kozen ze zorgvuldig een plaats uit. Bij wie ging je bijvoorbeeld opzij liggen? Uit overlevering en eigen ervaring weet ik dat schippers op die manier probeerden hun zonen en dochters met elkaar in contact te brengen. In Rotterdam was vroeger de nu gedempte Zalmhaven het domein van voornamelijk Groningse schippers. Schippers van streng christelijke huize troffen elkaar in Rotterdam in het Boerengat. Daarbij moet niet vergeten worden dat ouders vroeger de macht hadden om hun dochter of zoon de omgang met een bepaalde jongen of meisje te ontzeggen. Zelfs een voorgenomen huwelijk kon door de ouders worden tegengehouden. Meerderjarigen waren verplicht tot hun dertigste jaar hun ouders toestemming te vragen.[2] Nu was het wel mogelijk om, als de ouders dwars lagen, zich te wenden tot de kantonrechter. Ik denk niet dat veel schippersdochters en zoons zich hier aan, om voor de hand liggende redenen, gewaagd hebben.

Wat verder opvalt bij het huwelijksgedrag van de Bergse schippers waren de huwelijken van een aantal broers met een dito aantal zussen. Dit was geen specifiek Bergs fenomeen. George Snijder, die een onderzoek heeft gedaan naar de schippers en schepen van ’s Gravenmoer vertelde mij dat het ook daar meermalen voorkwam. Het trouwen binnen de familie was daar net als in Bergen gewoonte.[3] Op te merken valt nog dat de ’s Gravenmoerse schippers ook protestant waren.

Bovenstaande bevindingen zijn uitsluitend van toepassing op de protestante schippers. De Bergse katholieke schippersfamilies hadden een ander huwelijksgedrag. Hier vinden we geen of nauwelijks consanguine huwelijken en vergeleken met de protestanten werd er veel buiten de beroepsgroep getrouwd.

De protestante Bergse schippers als geheel waren gedurende de gehele negentiende eeuw te beschouwen als een clan: op vele manieren was men aan elkaar verwant. Uiteindelijk valt dit hoofdstuk samen te vatten met de spreekwoorden : ‘gelijk van aard is wel gepaard’ , ‘soort zoekt soort’ of zelfs ‘neef en nicht vrijt allicht’.

[1] www.heemkundekringdewillemstad.nl/literatuur/ravelyn.htm

[2] Kooy, Het veranderend gezin, 116

[3] Snijder, Schippers van een gedempte haven,199-248.

 

VERVOLG KLIK SCHIPPERSFAMILIES 2