WONEN AAN DE WAL VERSUS WONEN AAN BOORD

 

Toen ik in 1975 een tentoonstelling bezocht over de binnenvaart in het Maritiem Museum Prins Hendrik te Rotterdam was ik verbaasd te zien hoe ‘wij’ leefden. Er was een roefje nagebouwd van een tjalk om te laten zien dat de schipper in zijn woonvertrek niet eens rechtop kon staan. Niemand in onze grote kennissen- en familiekring had een schip met een roef van dat formaat. Sindsdien ben ik een voorstander van vergelijken.

Wanneer je weet dat rond 1900 een groot percentage van de Rotterdammers in een eenkamerwoning woonde dan kun je niet stellen dat het aan boord wonen een stap terug is. Vaak was de roef van een voor die tijd modern schip voorzien van meerdere vertrekken. Het toilet hoefde niet, zoals aan de wal vaak in steden het geval was, met andere gezinnen gedeeld te worden. Bij de volkstelling van 1899 bleek dat bijna een kwart van de Nederlandse bevolking (23 procent) in een eenkamerwoning gehuisvest was. Dat percentage bedroeg voor de stad Rotterdam en de provincie Groningen 58, voor de provincie Drenthe lag het zelfs op 62 procent.

Om een indruk te geven hoe schippers aan boord woonden volgen hier de tekeningen en plattegronden van de woning aan boord van een kempenaar en een middelgroot Rijnschip. De eerste kempenaars werden kort na 1900 gebouwd. De roef lag verzonken in het schip, terwijl de zogenoemde theehut op het dek geplaatst was. Een thee- of dekhut was in veel gevallen een houten optrek tussen de roef en de stuurstand.

 

Tekening uit: Roorda, Small seagoing craft and vessels, p. 63.

 

De theehut was ingericht als woonkeuken. Men kon via de theehut in de roef komen. Er was een tafel en twee of meer stoelen. Aan zowel de stuur- als bakboordzijde was een deur naar dek was ruimte voor een fornuis, gootsteen en een tweetal kasten. Verder waren er een vaste bank. Vanuit de theehut kwam men via een kleine steile trap naar beneden in een portaaltje. Rechtdoor was de woonkamer met vier vaste kasten. De twee kasten naast de vaste bank waren uitgevoerd als buffet. Verder was er plaats voor een salontafel en een viertal kleine fauteuils. Het woonvertrek was uitgerust met een schoorsteen en een kolenhaard. Aan bakboordzijde zaten drie ramen en in het plafond een lichtkap. Boven de bank was nog een patrijspoort waardoor men over de luiken kon kijken.

Vanuit de woonkamer had men toegang tot een slaapvertrek, waar ook een patrijspoort en aan stuurboordzijde twee ramen waren. In het portaaltje konden de wc en het achteronder bereikt worden. Het achteronder staat niet de tekening. De inrichting daarvan leek op die van het Rijnschip dat hierna volgt.

Ook hier waren er twee kooien. Het was allemaal net wat kleiner dan op het hierna getoonde Rijnschip. In de theehut zaten aan de roefzijde twee ramen die uitzicht boden naar voren. Het schip had ook een vooronder met een aantal slaapplaatsen. De eerste generatie kempenaars had geen stuurhut. Het schip werd gestuurd vanuit een open stuurstand met liggend stuurwerk. Wel was er een klein afdakje dat verschoven kon worden, zodat degene die aan het roer stond tenminste een beetje beschutting had.

Afbeelding uit: Verslag der Staatscommissie 1911,

Bijlage XIIa.

Afbeelding uit: Verslag der Staatscommissie 1911,

Bijlage XII a.

 

Ook op dit middelgroot Rijnschip kwam men de roef binnen via de theehut. De zogenoemde thee- of dekhut, hier op het boven-aanzicht niet getekend, was van hout en bevond zich tussen de stuurstand en de roef. Ongeveer in het midden bevond zich een trap naar beneden. Daar was een halletje. De eerste deur links gaf toegang tot de keuken. De keuken had een raam en in het plafond een bovenlicht, een kleine koekoek. Rechtdoor was de woonkamer met daarin een vaste bank (hier sofa genoemd) en drie ramen en een grote koekoek voor de lichtinval. Vanuit de woonkamer was het mogelijk om in de slaapkamer te komen. De salon, de mooie kamer, was zowel vanuit de woonkamer als de slaapkamer toegankelijk. De salon en de slaapkamer hadden twee ramen. Terug naar het halletje. Meteen rechts na de trap een deur die toegang gaf naar een ander halletje. Dit halletje bood de mogelijkheid om zowel naar de wc te gaan als naar het achteronder dat op de tekening achterkajuit genoemd wordt. Hier bevonden zich aan weerszijden twee tweepersoons kooien en aardig wat kasten.

Er waren in de woning vier stookplaatsen. Die bevonden zich in de woonkamer, salon, keuken en het achteronder. Grote Rijnschepen bezaten zelfs een badkamer met ligbad: het benodigde warme water kwam van een kolengestookte boiler. Voorop was het verblijf van de matroos. Conclusie: de woonsituatie van de schippersgezinnen op grotere schepen leek eerder op die van de burgerij dan die van de arbeidersbevolking.

 

Deze drie foto's zijn gemaakt begin jaren dertig door E.W.H.Touw (1910-2007) in de roef van sleepschip ROSINA van zijn oom Huib Ribbens. Op linker foto Rosina Agatha Ribbens-Touw temidden van haar collectie Saksisch porselein en op de achtergrond het uit 1868 daterende huwelijksportret van haar ouders n.l. B.W.Touw en E.W.H.Pilaar. Op de middelste foto is Krijna Touw op bezoek bij haar tante. Foto rechts nog een foto van het interieur. Foto's collectie Kees Touw.

 

Foto's afkomstig uit Binnenscheepvaart in beweging door ir. Willem de Ruiter, Deventer 1980, p. 10. Interieurfoto's van sleepschip Avontuur 6 van familie Van Ooyen. Het in 1928 gebouwde schip had elektrisch licht, centrale verwarming, marmeren wastafels en last but not least een piano.

 

VERVOLG KLIK Scheepvaart III - 9