AAN BOORD WONEN: ACHTERUITGANG OF VOORUITGANG ?

 

 

Tegen het einde van de negentiende eeuw gingen veel schippers met hun gezin aan boord wonen. Dat wordt alom gezien als een teken van achteruitgang in het schippersbestaan. Daar spreekt het vermoeden uit dat de schipper niet (meer) kapitaalkrachtig genoeg was om zich een woning aan de wal te permitteren.

‘Pas tegen het einde van de negentiende eeuw werd de schipper door zijn financiële positie genoodzaakt om zijn vrouw bij het werk aan boord in te schakelen.’ [1]

 Ook het Weekblad Schuttevaer, de spreekbuis van de binnenvaart, schrijft nog op 23 februari 1968 het volgende:

‘Tot de eeuwwisseling waren de kinderen bij moeder aan de wal, maar moeilijke financiële situaties in de binnenscheepvaart zouden de gezinnen en daarmee ook het onderwijsprobleem aan boord gebracht hebben.’

De veronderstelling van achteruitgang werd versterkt door publicaties die verslag deden van de erbarmelijke omstandigheden waarin de schippers uit vooral de Noordelijke provincies moesten werken en leven. Deze visie vertroebelt het zicht op de status en levensomstandigheden van de schippers in andere delen van het land. In Groningen waren veel schippers met handen en voeten gebonden aan de eisen die fabriekseigenaars aan hen stelden. Door de komst van de aardappelmeelfabrieken was er seizoensvaart ontstaan met de zogenoemde campagneschippers, die op hun schip woonden ook als zij zich buiten het seizoen als arbeider verhuurden. De fabrieken hadden ook eigen schepen die zij door arbeiders lieten bevaren. Alles moest zo goedkoop mogelijk. Deze schippers huisden met hun grote gezinnen in de roefjes en vooronders van scheepjes in de Veenkoloniale kanalen. Hier werden de foto’s gemaakt van vrouwen en kinderen hangend in het trekzeel.

[1] Filarski, Kanalen van de Koning-Koopman, 217.

 

TREKZEEL

Een trekzeel betaat uit een lange jaaglijn die met het ene eind aan het schip, vaak aan de mast, is bevestigd. Het andere einde, waaraan getrokken moet worden heeft een brede band van leer of canvas. Degene die het schip moest trekken hing voorover in de brede band om op deze manier het meeste profijt van zijn eigen gewicht te hebben. Aan een jaaglijn konden meerdere banden bevestigd worden zodat er met twee of meer mensen getrokken kon worden.

 

Dit waren beelden die op ieders netvlies gebrand stonden. Zo werd een beeld gecreëerd van de schipper als geknechte ongeletterde sloeber die op zijn beurt vrouw en kinderen uitbuitte. Natuurlijk waren die publicaties bedoeld om misstanden aan de kaak te stellen. Het vervelende was dat die kijk op de provinciale scheepvaart ging kleven aan de Nederlandse binnenvaart in het algemeen.

Het aan boord gaan wonen op het eind van de negentiende eeuw was op zich geen nieuw fenomeen. Van de grote Rijnschepen, de zogenoemde Samoreuzen is het bekend dat daar al in de vroege negentiende eeuw hele huishoudens aan boord waren. P. le Comte schreef in 1831:

‘Daar de schippers gewoonlijk de geheele huishouding aan boord hebben, zijn de schepen behalve tot vrachtgoederen, ook bijzonder daartoe ingerigt (…) op het bovendek bevindt zich eene fraaije roef met verscheiden afdeelingen afgeschoten en tot kamers ingericht, voorzien van vele gemakken.’[1]

[1] Le Comte, Afbeeldingen van Schepen, 45-46.

Door archeologisch onderzoek naar de scheepswrakken uit de IJsselmeerpolders en ook uit schriftelijke bronnen kon prof. dr. A.F.L.van Holk concluderen dat er al vanaf 1700 gezinnen aan boord woonden. Hij ontzenuwde de algemene opvatting dat pas na circa 1850 in samenhang met de Industriële Revolutie op grote schaal de gezinnen aan boord verschenen.[1]

[1] Van Holk, Archeologie van de binnenvaart, 266-267.

 

VERVOLG KLIK Scheepvaart III - 8