KLACHTEN

 

In het rapport komen klachten over de scheepvaartwegen en bezwaren van algemene aard aan bod. Er wordt geklaagd over bruggen, sluizen, voorschutting en fooien. Enfin, teveel om op te noemen. Niet alleen klagen de schippers over de verschillende overheden, ze doen dat ook over elkaar. De eigenaars van kleine vaak nog houten schepen, klaagden over de concurrentie die hen werd aangedaan door de moderne grote sleepschepen, door hen kasten genoemd. ‘Kast’ was vroeger min of meer een scheldwoord. Kast stond dan voor groot. Die schippers wilden de vaarwegen klein houden, zodat de kasten er niet konden komen. Op hun beurt spraken de kastenschippers wanneer zij het over de kleine oude schepen hadden over ‘drijvende doodskisten’. Het was eigenlijk geen wonder dat er in 1898 al twee schippersbonden waren opgericht. Degenen die in die tijd nog een houten schip bezaten waren er vaak niet zo best aan toe. De werfbazen hadden de ervaring dat schippers met een ijzeren of stalen schip goed afbetaalden, maar onder de schippers met houten schepen waren er nogal wat die hun reparatievorderingen niet konden voldoen. Noot Houten schepen werden niet of nauwelijks meer gebouwd. Tussen 1900 en 1920 werden er toch nog enkele tientallen kleine houten schepen te water gelaten voornamelijk in het noorden van het land. Het betrof hier schepen van het type tjalk en praam. Vissers in het IJsselmeergebied en ook in Zeeland bleven het houten schip nog lang trouw. 

In het verslag worden niet de motorschepen maar de klippers de schepen van de toekomst genoemd. Noot De meeste motorschepen behoorden aan beurtschippers en waren niet zo groot. Toch voeren er in die tijd (1908) circa 730 motorschepen in Nederland. Het was lastig zo niet onmogelijk in te schatten hoe de toekomst van de binnenvaart er uit zou zien.

Zoals we al eerder zagen was vanaf 1870 het vervoer vanuit de zeehavens enorm gegroeid. Vanuit het Roergebied was het zelfde gebeurd met het transport van steenkolen. Ook het productievermogen van de betrekkelijk nieuwe suikerfabrieken steeg en daarmee het vervoer van ‘peeën’, door niet-schippers suikerbieten of beetwortelen genoemd. Suikerfabrieken hadden kolen nodig en hielden na het raffinageproces pulp en melasse over. Ook deze producten werden met schepen aan- en afgevoerd. 

Het ladingaanbod was in alle sectoren sterk gegroeid. Er was echter ook lading verloren gegaan. Voordat de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal gegraven waren konden zeeschepen niet volgeladen in Rotterdam en Amsterdam komen. De lichterdiensten vanuit onder andere Brouwershaven, Hellevoetsluis en Nieuwe Diep gingen verloren. Het lichten van zeeschepen, dat wil zeggen gedeeltelijk de lading overnemen, was lucratieve business. Er werd zoveel lading overgenomen dat het zeeschip zelf de haven van bestemming kon bereiken. De rederij Gebroeders Goedkoop is er vanuit Nieuwe Diep groot mee geworden.

Het vervoer van turf, waar vroeger veel schippers hun brood mee verdienden, was bijna geheel stilgevallen. Vele honderden schippers vervoerden voorheen aardappelen van Friesland naar Amsterdam. Dit vervoer was grotendeels door stoombootdiensten overgenomen. Deze namen ook kleinere hoeveelheden mee. Daardoor konden kleinere handelaren in de stad nu ook rechtstreeks met de landbouwers zaken doen. Er ging dus vracht verloren, maar aan de andere kant kwam er veel vracht voor in de plaats. Waar het getij verloopt, moet men de bakens verzetten. 

In de Noordelijke provincies lukte dat niet en bleven de schippers op ouderwetse, eigenlijk pre-industriële wijze, voortsukkelen. Dat het daar niet lukte had alles te maken met het beleid van die provincies. Het Rijk had in 1900 alle tollen afgeschaft. Maar vooral in het noorden werden nog veel doorvaartrechten geheven. Doorvaartrechten van een dermate hoog bedrag dat er beter gesproken kan worden van een boete. Paradoxaal genoeg waren waren de vaarwaters met de hoogste doorvaartrechten ook de meest verouderde vaarwaters. Stoom- en motorschepen vielen in een nog veel hoger tarief. Dat bevorderde de vooruitgang bepaald niet.[1] Hiermee in verband staat ook de aandacht die de commissie in het rapport geeft aan de levensomstandigheden aan boord van de kleine schepen in de noordelijke provincies.

[1] Sepp, Van een oogje in het zeil, 19.

VERVOLG Klik Scheepvaart III - 4