J.E. & J.M.N. OOSTERWAAL STARTEN EERSTE BERGSE STOOMBOORDIENST IN 1866

 

Door de gemeente werd in de negentiende eeuw bijgehouden hoeveel schepen er in Bergen op Zoom thuishoorden. In 1866 staat er ineens dat er een stoomboot te Bergen op Zoom thuishoorde. Op 19 januari 1866 kregen de neven Johannes Emilius (1825-1906) en Johannes Marinus Nicolaas Oosterwaal (1825-1883) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken vergunning om een schroefstoombootdienst te exploiteren voor het vervoer van personen, goederen en vee tussen Bergen op Zoom en Schiedam.[1] Johannes E. en zijn neef Johannes M.N. waren beiden beurtschipper. De eerste op Rotterdam en de tweede op Schiedam, Delft en Den Haag. Ook hun vaders en ook hun uit Waspik afkomstige grootvader waren beurtschipper. Johannes M.N. zette op 1 februari 1866 zijn 48 ton grote staatsie-paviljoenschip te koop.[2]  

 

JOHANNES E. OOSTERWAAL REGELMATIG IN HET NIEUWS

Johannes E.Oosterwaal komt in de krant omdat hij met zijn beurtschip 28 jonge vossen vervoerde die in de omgeving van Bergen op Zoom uit het nest waren gehaald. De dieren gaan via Rotterdam naar het eiland Wight waar ze werden uitgezet om er in het najaar op te kunnen jagen. [3] Het jaar daarop eenzelfde bericht, ditmaal zijn 66 jonge vossen de klos. [4] Johannes E. doet op 14 augustus 1860 mee aan een zeilwedstrijd voor Vracht- en Beurtschepen op de Oosterschelde. Hij wint de derde prijs: een bedrag van ƒ 5.- [5] Een jaar later op 2 september komt hij met de Catharina Maria als tweede aan. Hij krijgt zes zilveren tafelmessen.[6]

 

Johannes E. was de degene die met het stoomschip voer en Johannes M.N. fungeerde als boekhouder. Op 18 augustus 1868 laat Maria Johanna La Fontijn, weduwe van Cornelis Stevens, een schuldbekentenis veilen.[7] Het gaat om een bedrag van ƒ 1100.- dat zij haar zwager Johannes E. Oosterwaal had geleend. Waarschijnlijk was dit het begin van het einde van de stoombootonderneming. Johannes was voor de helft eigenaar van de vermoedelijk in 1866 te Krimpen aan de Lek gebouwde stoomboot Bergen-op-Zoom. In 1866 was het 91 ton grote schip te Breda gebrand onder nummer 177. De onderneming heeft niet lang bestaan, want in de registers van de patentbelasting van 1871 wordt Johannes E. Oosterwaal aangeslagen voor de paviljoentjalk De Goede Verwachting van 64 ton.[8] Hij is weer terug bij af. Zijn zoons worden later Rijnschipper. De zoon van Johannes M.N. is voor 1907 zetschipper op de melassetanker Irma en later op de melassetanker Jacoba: beide schepen zijn eigendom van de Spiritusfabriek. 

[1] Nederlandsche Staatscourant, No. 21, donderdag 25 januarij 1866, 2.

[2] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 1 februari 1866.

[3] Middelburgsche Courant, no 57, donderdag 13 mei 1858, 1.

[4] Algemeen Handelblad, No 8557, dinsdag 24 mei 1859, 2.

[5] Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad, no 226, donderdag 16 augustus 1860, 2.

[6] Nieuwe Rotterdamsche Courant, no 245, donderdag 5 september, 2.

[7] Bredasche Courant, No. 61, donderdag 30 julij 1868, 4.

[8] MHC, Archief G.B. 1814-1925, inv.nr. 1648.1

 

VERVOLG KLIK Scheepvaart II - 4