ZUID-NEDERLANDSCHE MELASSE-SPIRITUSFABRIEK  1900

 

 

In 1900 gaat de in 1899 opgerichte Zuid-Nederlandsche Melasse-Spiritus Fabriek (ZNMSF) draaien.[1] Niet minder dan 26 suikerfabrieken, waaronder een drietal uit België, waren de aandeelhouders. In de oprichtingsakte werd er vanuit gegaan dat er dagelijks honderd ton melasse nodig zou zijn om de fabriek profijtelijk te laten zijn. Melasse is het vloeibare stroperige restproduct van een suikerfabriek en omdat er nog vrij veel suiker in zit een ideale grondstof om alcohol te maken. De plaatselijke suikerindustrie bracht niet genoeg op, zodat er melasse van elders moest komen. Vanaf de start heeft de Spiritusfabriek eigen stalen tanksleepschepen gehad om het vervoer te verzorgen. Dat waren de Jacoba en Maria beiden 213 ton groot en de kleinere Irma van 82 ton. In 1906 komt de Anna er bij, dit 483 ton grote schip was aanbesteed voor ƒ 22.000. noot  

[1] Slootmans, De Alcohol der Nederlandsche Suikerindustrie.

Helemaal links de IRMA, daarnaast de MARIA en daar weer opzij de JACOBA, het achterste schip is niet bekend.

Foto is uit Slootmans, C.J.F., De Alcohol der Nederlandse Suikerindustrie, jubileumboek uitgegeven door de N.V. Zuid-Nederlandsche Spiritusfabriek te Bergen op Zoom, ter gelegenheid van haar vijftig-jarig bestaan. 1899-achttien juli-1949 , Roosendaal 1949. Collectie Kees Touw.

 

Rond 1925 werd de Irma, het kleinste schip, verlengd van 22.60 meter naar 30 meter en omgedoopt in Han. Gerrit Marinus van Dort was toen de schipper. Gezien zijn oorspronkelijke lengte was de kleine Irma vermoedelijk aanvankelijk bestemd voor de vaart op Roosendaal.[1] Daar bevonden zich drie bedrijven die melasse leverden. In 1939 werd het schip omgebouwd tot motorschip en opnieuw omgedoopt, ditmaal tot Hanja. Het schip wordt later nogmaals verlengd tot 36 meter en heet dan Theodora.[2] De Jacoba werd de Helena en eveneens omgebouwd tot motorschip. De Maria onderging hetzelfde proces en werd de Roni.[3]

 

MELASSETANKERS IN MOEILIJKHEDEN

De Irma en de Jacoba kwamen in juni 1907 op de Zuiderzee in moeilijkheden. De twee gesleepte schepen kwamen vast te zitten op het Enkhuizerzand. Zij waren onderweg van de suikerfabriek te Vierverlaten in Groningen naar Bergen op Zoom. Een aantal botters schoot te hulp: de vissers waren uit op bijverdienste. Maar natuurlijk zagen zij geen kans iets van de vloeibare lading over te nemen. Zonder stormweer liepen dit soort incidenten af met een sisser. Na doodtij komt elke dag de vloed hoger en stijgt de kans dat het schip weer vlot komt. Philippus A.J. Geers (1880-1954) voer op de Irma en C. Oosterwaal (1861-....) op de Jacoba. De laatste had eerder ook op de Irma gevaren.[4]

 

De ZNMSF kon veel melasse gebruiken, dat zag ook de Bergse visser Johannes H. de Haas (1873). Hij stopte met vissen en ging in 1908 melasse vervoeren met de klipper l’Espoir. Vanaf 1918 deed hij dat met de klipper Engelina. Zijn oudste zoon Nicolaas C. de Haas (1898) begon in 1923 met motorschip De Hoop melasse te varen. Hij had dit typische elbeschip dat in 1913 gebouwd was, overgenomen van J. Kreppel uit Ruhrort.

In 1930 liet Johannes H. een nieuwe Engelina bouwen, een motorschip dat werd ingericht als melassetanker. Noot Dat was aan de buitenkant van dit schip niet te zien. De vloeibare lading werd vervoerd onder de houten luikenkap. In het ruim waren twee stalen langs- en vier dwarschotten aangebracht. Het schip was speciaal voor de vaart op de suikerfabriek te Vierverlaten te Groningen gebouwd als Friese maatschip om de hoge doorvaartrechten door Friesland te ontlopen. Tot diep in de jaren dertig was de grootste maat die door Friesland mocht varen 31.50 meter lang en 5.40 meter breed. Nu is het niet zo dat de familie De Haas alleen maar melasse naar Bergen op Zoom vervoerde. Ook de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek te Delft was een belangrijke bestemming. Zoon Anthoni B. de Haas (1907-....) zag kans om na 1945 met de Engelina en de hulp van drie van zijn broers een groot tankscheepvaartbedrijf op te richten.

 

De in 1983 tot NEDALCO omgedoopte Spiritusfabriek stopte in 1990 met het vervoer van melasse in eigen beheer. De Papegaai, De Krab en De Vos. Het oudste schip Helena (ex Jacoba) was toen nog steeds in de vaart.

[1] Er bestonden schepen met een zogenoemde Roosendaalse maat speciaal voor het Oud-Bovensas op de Roosendaalse Vliet De sluis met een schutlengte van 23 meter lag op 11.5 kilometer van Roosendaal. Het Oud-Benedensas had een schutlengte van circa 22.50 meter, maar met laag water kon daar gelijk peil gemaakt worden zodat ook langere schepen naar Steenbergen konden.

[2] SMD, 18 september 1951.

[3] SMD

[4] Weekblad Schuttevaer, 8 juni 1907

Linkerfoto links De Papegaai en rechts de Helena. Op rechterfoto De Krab.

Foto's  © Kees Touw

 

VERVOLG KLIK Scheepvaart II - 19