EEN NIEUW SCHIP UITHALEN  1896

 

 

Op 9 maart 1896 verliet Pieter Schot[1] de haven van Bergen op Zoom om in Sappemeer zijn nieuwe tweemastklipper uit te halen. ‘Uithalen’ is een schippersterm voor: een nieuw schip in de vaart brengen. Schot maakte met zijn zoons de reis naar Sappemeer met zijn lege tjalk Eben Haëzer. De tocht naar het Noorden duurde veertien dagen. Aan onkosten was hij 42 gulden kwijt, waarvan er twintig betaald werden aan de Zuiderzeeloods. De tweemast-klipper Antonetta was gebouwd op de werf van Berg te Sappemeer. Op 13 april 1896 werd begonnen met het laden van ‘ijzererts’.[2] Dit kan niet anders dan ijzeroer geweest zijn. Dit werd in die tijd vooral gebruikt om giftige stoffen uit steenkoolgas te filteren. De belangrijkste vindplaatsen van ijzeroer lagen in Zuid- en Oost-Nederland. Maar er is ook ijzeroer gevonden in Friesland, Groningen en later in de Noordoostpolder. Zij kregen die dag zestig ton. Twee dagen later nog eens zestig ton en op 28 april nog een partijtje van twintig ton. Die dag vertrokken zij om elf uur van Sappemeer. Het werd een moeizame vaartocht: pas om acht uur ‘s avonds waren zij in Groningen. Als een echte Bergenaar schreef zoon Leendert Dirk over de grote ‘indernissen’ onderweg.

 

DE BERGSE TONGVAL

Mensen in en rond Bergen op Zoom hadden moeite met de h. Die spraken ze niet uit. Nu waren ze vaak zelf wel bewust van het feit dat ze het verkeerd deden en misschien daarom verscheen de h hypercorrect op plaatsen waar hij niet thuishoorde.

Admiraal Michiel de Ruyter had het eveneens moeilijk met de h. Hij was weliswaar in Vlissingen geboren, maar uit ouders die uit de directe omgeving van Bergen op Zoom kwamen. De h-twijfel bleef De Ruyter zijn leven lang achtervolgen. Hij schreef consequent over ‘heylant’ (eiland). Andere voorbeelden uit zijn geschriften zijn: ‘ellevoet sluis’ (Hellevoetsluis), ‘bealven’ (behalve), ‘hapcoude’ (Abcoude) en ‘verhooverde’ (veroverde). [3] Dat de echt Zeeuwse h-achtige g en andere typisch Zeeuwse spreek- en schrijfwijzen bij De Ruyter niet voorkomen zijn een aanwijzing dat De Ruyter een Bergse tongval gehad moet hebben.

Als schipper moest mijn vader E.W.H. Touw vaak zijn naam opgeven. ‘Heliza Willem Endrik Touw’ Meteen klonk de vraag: ‘Kunt u dat spellen?’   ‘Hé, Wé, A. Touw, de Hé van Héduard, de Wé van Willem en de A van Endrik’. Totale verwarring aan de andere kant van het loket. In zijn bewaard gebleven correspondentie las ik trouwens ook ‘Nijmhegen’ en ΄n eet anghijzer’.

 

In Groningen kregen ze nog veertig ton ‘erts’ erbij. Samen 180 ton. Op 30 april vertrokken zij van het Winschoterdiep naar het Reitdiep. Daar kregen ze de ankerkettingen aan boord. De vierde mei vertrokken ze uit Groningen en om twaalf uur waren ze in Zoutkamp. Ze haalden het schip in de avond met ‘peil water’ buiten de sluis. Dit klinkt raadselachtig. Schot bedoelde de periode dat het water aan beide zijden van de sluis gelijk staat: gelijk peil.

[1] Zie SCHOT 1 sub III a

[2] Liuwe Bouma wees mij er op dat er met ijzererts ijzeroer bedoeld werd.

[3] De reis van Michiel Adriaansz de Ruyter 1664-1665, De Linschoten-Vereeniging LXII, 112.

 

PEILSLUIZEN

Sluizen waar het buitenwater te maken had met eb en vloed kenden een korte periode dat het binnen- en buitenwater gelijk peil hadden. Dat gaf de mogelijkheid om de sluisdeuren aan zowel binnen- als buitenkant open te zetten. Dan konden schepen die langer waren dan de schutlengte toch passeren.

 

Op 5 mei voeren ze ΄s morgens om half vier over de Lauwerszee naar Dokkumer Nieuwe Zijlen. Ze werden gesleept door een sleepboot en waren om half een te Leeuwarden. De boot moest kolen bunkeren en daarom bleven ze die dag verder in Leeuwarden. Op 6 mei vertrokken ze uit Leeuwarden, om half een passeerden ze Franeker en om vier uur kwamen ze te Harlingen aan. De volgende dag vertrokken ze om half vier van Harlingen met een ‘topskouw’. Eigenlijk topskoelte, wind waarbij er nog van top kon worden gevaren, met volle zeilen. Goed zeilweer, windkracht 4. Wind van het Noordoosten met mistvlagen. Om half acht zagen ze met moeite Hindeloopen liggen en om negen uur voeren ze ter hoogte van Stavoren. De mist trok op en om twaalf uur bevonden ze zich in het Krabbersgat bij Enkhuizen. De Afsluitdijk was er nog niet.

Om half vijf waren ze aan de vuurtoren van Marken en om half zeven aan de Oranjesluizen. Ze ankerden om acht uur op het IJ in de buurt van het Oosterdok. De achtste mei gingen ze om drie uur slepen naar Vreeswijk en kwamen daar om vijf uur in de middag aan. De dag erna gingen ze om negen uur slepen naar Dordrecht, waar ze om vijf uur ankerden. Waarom ze nog naar Dordrecht gingen is niet duidelijk. Wilden ze het nieuwe schip laten zien aan familieleden of moesten er nog formaliteiten vervuld worden?

Ze vertrokken op 11 mei om zes uur en ankerden om elf uur s avonds te Druten. De volgende dag werd al om drie uur gesleept en om één uur te Emmerik geankerd. Toen de papieren in orde waren, vertrokken ze om zes uur s avonds en ging het schip om tien uur bij Rees voor anker. Er volgde alweer een korte nacht want ze vertrokken om drie uur om s middags om vijf uur te Ruhrort aan te komen. Tien dagen hadden ze over de tocht gedaan. De onkosten van deze reis bedroegen ƒ 324,30.

Pieter Schot was zeventig toen hij aan dit nieuwe schip begon. Hij zou er nog tien jaar mee varen. Op zijn tachtigste kreeg hij een klap van het schootblok waar hij erg van schrok. Hij vond het mooi geweest en ging in 1906 in Bergen aan de wal wonen. Hij gaf het schip over aan zijn oudste zoon Pieter. Deze verkocht het schip op zijn zestigste jaar in 1922 aan Tuus de Nijs uit Terneuzen en ging zelf in Bergen op Zoom aan de wal wonen. Zijn enige dochter was toen pas zestien jaar oud.

 

VERVOLG KLIK Scheepvaart II - 18