DE OVERGANG VAN HOUTEN NAAR IJZEREN SCHEPEN

 

 

De Bergse schippers kregen eind tachtiger jaren van de negentiende eeuw in de gaten dat het met de houten schepen ging aflopen. In de jaren veertig van de negentiende eeuw werd in Nederland begonnen met de bouw van ijzeren binnenschepen.[1] Het allereerste ijzeren Rijnsleepschip stamt uit 1841: het werd op het établissement Fijenoord gebouwd. Roentgen, de bouwer, die in opdracht van de Nederlandse regering een studie van de Engelse scheepsbouw had gemaakt, had al eerder bewezen dat hij zijn ogen goed de kost had gegeven. In 1838 was naar zijn plan al een ijzeren Rijnsleepboot gebouwd.

‘Gisteren na den middag kwam het Nederlandsche stoomschip Agrippina, op sleeptouw hebbende het aan de Nederlandsche Stoomboot Mij te Rotterdam toebehorende ijzeren Rhijnschip Rhijn I, van Rotterdam hier aan. De stoomboot 1250 Ctr. en het Rhijnschip 4850 Ctr. geladen. In 38 uur voer het schip van Rotterdam naar Keulen.[2]

 De 38 uur was na aftrek van oponthoud. De afstand Rotterdam – Keulen is tegenwoordig 312 kilometer. De afstand was vroeger langer. Er zijn in de loop der jaren ettelijke bochten afgesneden. Wanneer je rekent met zes kilometer tegenstroom, dan moet het convooi 14 kilometer per uur in stil water gelopen hebben. Voor 1841 geen slechte prestatie.

De kennis om in ijzer te bouwen was dus voor 1840 in Nederland aanwezig. Toen Roentgen zijn eerste ijzeren Rijnsleepschip bouwde, voeren er op de Engelse kanalen al tientallen jaren heel veel ijzeren ‘canalbarges’ rond.

De eerste tien jaar (1840-1849) zijn er voor de internationale Rijnvaart 86 ijzeren sleepschepen gebouwd. Het is verrassend te zien op welke plaatsen die Rijnschepen, vermoedelijk uitsluitend voor rekening van Duitse Rijnrederijen, van de werf liepen. In Duitsland werden tien schepen gebouwd, om precies te zijn in Ruhrort. (12 procent) Nederland nam er 35 voor zijn rekening (41 procent). Hiervan was er maar een op de werf in Feyenoord gebouwd, de rest kwam van de werf van Paul van Vlissingen in Amsterdam. 41 schepen (47 procent) kwamen van de werf van N.V. John Cockerill te Seraing (bij Luik). Schepen voor de particuliere schippers volgden pas veel later.

[1] Touw, ‘IJzeren sleep- en zeilschepen’, 5-15.

[2] Rotterdamsche Courant, 31 december 1841

 

Mijn onderzoek naar de schippers van Lobith & Millingen laat zien dat deze schippers vanaf 1872 gaan overschakelen.[1] Voor 1878 zijn er daar zeker elf particuliere schippers met een nieuw ijzeren schip. Het jaar 1878 noem ik niet voor niets: het laat zien hoe bijzonder het is dat in dat jaar de Bergenaar Henri Daverveldt met een grote ijzeren tweemast stevenaak gaat varen. Een stevenaak die gemaakt was op de maten van de sluis te Willebroek. Daverveldt zag dus mogelijkheden om goederen te gaan vervoeren tussen het Roergebied en Brussel. Zijn succesverhaal was te lezen in Scheepvaart II - 10.

Terug naar de andere Bergse schippers. Vergeleken met de Rijnvaart van de grote (Duitse) rederijen en de particuliere schippers van Lobith en Millingen waren de Bergse schippers laat: zij bleven nog lang met hun houten schepen varen.

           

In 1890, twaalf jaar later dan Daverveldt, liet Johannes Adrianus Schot (1850-1926)[2] als eigenaar van een houten tjalk op de werf van Joh. Berg te Sappemeer een 172 ton grote klipper bouwen. Hij doopte het schip Sappemeer. Zijn vader Reinier Schot (1826-1914)[3] kon niet bij zijn zoon achterblijven en verruilde zijn houten aak Dageraad in 1891 voor een ijzeren tweemastklipper van 230 ton. Dit schip, ook Dageraad geheten, was eveneens in Sappemeer gebouwd.

 

Pieter Schot (1828-1921)[4] , een volle neef van hierboven genoemde Reinier, was begonnen op een houten tjalk van 73 ton en had daarna een groter houten schip: de otter Maria Frederika van 95 ton. Hij kreeg in 1891 een nieuwe tweemastklipper Maria Frederika van 217 ton.

 

Verder moet nog genoemd worden Gerrit Johannesvan Dort (1841-1933)[5] die de in 1865 gebouwde houten tjalk Goede Verwachting bezat van 89 ton. In 1891 liet hij te Papendrecht de Oosterschelde bouwen, een klipper van 206 ton.

 

Deze vijf schippers hebben het pad geëffend voor de vele andere Bergse schippers. In de volgende jaren ging de ene na de andere Bergse schipper over op een ijzeren of stalen schip, ofwel door nieuwbouw ofwel door overname. Met deze ijzeren of stalen zeilschepen konden de binnenschippers concurreren met de grote Rijnrederijen. Ten eerste waren ze in ieder geval op de terugreis uit het Roergebied niet afhankelijk van sleepboten. Op de Benedenrivieren en in Zeeland kon gezeild worden. Ten tweede voeren de schippers vaak met zoons als personeel. Zij vormden zeer flexibele productie-eenheden.

[1] Touw, ‘De Schippers van Lobith en Millingen’, 44-48.

[2] Zie SCHOT 2 sub III a.

[3] Zie SCHOT 2 sub II

[4] Zie SCHOT 3 sub II b.

[5] Zie VAN DORT 2 sub IV j.

 

VERVOLG KLIK Scheepvaart II - 16