EERSTE RIJNSCHEPENREGISTER  1879

 

Het Rheinschiffs Register Verband te Frankfurt gaf in 1879 een eerste Rijnschepenregister uit dat ten dienste stond van assu-radeuren. Vanaf 1880 verscheen er elke twee jaar een nieuw register. Het register was afhankelijk van vrijwillige opgaven van scheepsbouwers, sommige overheidsinstanties en schippers. Het was onmogelijk up to date te zijn. Het kon gebeuren dat een schip een paar jaar na de verkoop nog steeds op naam van de oude eigenaar stond. De kleinere beurt- en veerschepen ont-breken.

 

In een publicatie op de website van de Heemkundekring van Willemstad valt te lezen dat er rond 1900 twee beurtschippers, een veerschipper en tien vrachtschippers woonden. Volgens het Rijnschepenregister van 1896 voeren er negen schippers met Willemstad als thuishaven. Een Willemstadse schipper voer als zetschipper voor een eigenaar uit Dordrecht. Het aantal van tien vrachtschippers komt dus overeen. De schepen van de twee beurtschippers en de ene veerschipper komen niet voor in het Rijnschepenregister.

 

 

Dit uitreksel uit het Rijnschepenregister laat meteen de tekortkomingen van het register zien. De aak Johanna Maria komt er twee keer in voor, de ene keer 273 ton en de andere keer 288 ton groot. Nadat H.E. Daverveldt in 1878 een nieuw schip had laten bouwen liet hij C.J.Oosterwaal als zetschipper op zijn oude Johanna Maria varen. Zo oud was dat schip nu ook weer niet, het was nog maar twee jaar oud. Het register telt dus geen elf maar tien Bergse schepen. Wanneer we vergelijken met de schepen van de Patentbelasting van 1871-1873 zien we meteen het verschil in grootte van de schepen. Waren er in 1871 -1873 slechts twee schepen boven de 100 ton, bij de Rijnschepen van 1879 is 70 procent boven de 100 ton. Het gemiddelde tonnage voor 1871-1873 was 42 ton en het gemiddelde tonnage van de Rijnschepen van 1879 bedroeg 160 ton. Drie schepen kunnen echte Rijnschepen genoemd worden. Dat zijn de twee houten aken en de ijzeren stevenaak. Van twee schepen is het type niet bekend. De rest bestaat uit tjalken en een otter. In deze periode was er voldoende emplooi in de Rijnvaart voor schepen van het tjalkformaat. Ook in kleine havens moesten kolen worden gebracht.

 

De groei van de Bergse Rijnvloot had niets te maken met het vervoer van goederen van en naar Bergen op Zoom. Sterker nog, er werd wel vracht vervoerd naar Bergen maar er kwam haast niets vandaan. Schepen vertrokken bijna altijd leeg. De vrachtenmarkt werd beheerst door enkele Bergse schippers. Zij hadden veel goodwill bij de Bergse bedrijven. Zij hadden ge-toond dat zij niet te beroerd waren om bij nacht en ontij een spoedlading te vervoeren. Lading bestemd voor het verre buiten-land werd vervoerd naar zeeschepen die lagen in de havens van Antwerpen, Rotterdam en Amsterdam. De verlader zorgde dan voor een dubbel span paarden bij Van Egeraat of Bakx om het schip tegen de wind in met een flinke gang de haven uit te slingeren. Met een geladen zeilschip was laveren in het smalle Bergse Diep geen sinecure.

 

VERVOLG KLIK Scheepvaart II - 12