EEN SCHEEPSINVENTARIS UIT 1807

 

 

G.D. van der Heide schreef in zijn boek over scheepsarcheologie over de scheepsinventaris als cultureel gegeven.[1] Hij vond van deze inventarissen het meest boeiende cultuurhistorisch aspect: het bij-eenhorende materiaal. Dat materiaal tezamen geeft een indruk van de sfeer, leefstijl en omstandigheden aan boord. In de IJsselmeerpolders zijn verschillende scheepswrakken onderzocht. Uit de vondsten kon worden opgemaakt of de schipper met een of meer knechts voer, dan wel dat er een schippersgezin aan boord was.

Eerder in Scheepvaart I - 3 was al te lezen dat in 1807 na het overlijden van Jan Jansz Touw en zijn vrouw Anna Schot een boedelbeschrijving werd gemaakt. Belangrijk in dit geval is de inventaris van de goederen die in het schip zijn aangetroffen. In de inventaris staat alles een beetje door elkaar. Hier volgen, in een gedeeltelijke herschikking, de eigendommen. De spelling van de akte is gevolgd.[2]

[1] Van der Heide, Scheepsarcheologie, 406.

[2] MHC, NA inv.nr. 1073, nr. 115

 

BOEDELBESCHRIJVING VAN JAN JANSZ TOUW EN ANNA SCHOT

 

 

Onder A vallen de echte meubilaire goederen, onder B vallen de meer huishoudelijke artikelen en onder C bevinden zich de kledingstukken. Het schip moet in ieder geval ruimte hebben gehad voor twee tafels en zes stoelen. Verder gaf de aanwezigheid van twee glasgordijntjes mij de suggestie dat het schip een paviljoen moet hebben gehad. Want een paviljoen had aan beide zijden een venster. Jan Janse Touw had in 1788 een schip overgenomen van Laurens van Tongeren. Deze Laurens had een zoon die Arnout heette. Hieruit kan geconcludeerd worden dat De Jonge Arnout het schip was dat Touw in 1788 had overgenomen. Het was uit eerdere stukken bekend geworden dat Jan Touw beurtschipper op Amsterdam was. Dat verklaart dan meteen de grote hoeveelheid servies en thee- en koffiepotten: die werd gebruikt om de passagiers te bedienen.

Het paviljoen was bestemd voor de beter gesitueerde passagiers. Onder B staan in het tweede gedeelte de spullen die gebruikt werden voor de passagiers. Als enige luxe kan genoemd worden het zilveren zakhorloge. In de akte staat verder dat de begrafenis niets heeft gekost omdat het echtpaar vanwege het lid zijn van de begrafenissociëteit op de gebruikelijke wijze zonder bijkomende kosten is begraven. Het schip was niet verzegeld maar onder beheer van de voogden van de twee kinderen genomen. De voogden Pieter Schot en Willem Touw verklaarden tegenover de notaris Laurentius de Geep niets te hebben verzwegen of te hebben achtergehouden.

 

VERVOLG KLIK Scheepvaart I - 7

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX