BERGSE SCHIPPERS BEGIN NEGENTIENDE EEUW

 

 

In het begin van de negentiende eeuw is de schipperswereld van Bergen op Zoom nog overzichtelijk. De volkstelling van 1812 maakt precies duidelijk wie zich een Bergse schipper kan noemen. Veel van deze schippers waren al bekend door de wijklijsten. Dat zijn lijsten van de inwoners van de stad, die werd opgemaakt door de wijkmeesters. Hierdoor weten we dat er in 1799 19 schippers en 8 schippersknechts waren geteld. Een aantal van hen is tussen 1799 en 1812 overleden of gestopt met varen en is opgevolgd door een of meerdere zoons. Een enkele nieuwkomer heeft zich van elders in Bergen op Zoom gevestigd. Dat is uitzonderlijk, want het lijkt wel alsof de schipperswereld van Bergen op Zoom een gesloten bastion was. Steeds duiken dezelfde familienamen op. De namen Van Dort, Van der Kuijl en Touw waren in het begin van de negentiende eeuw overheersend.

 

De Bergse schippers die tevoorschijn kwamen uit de wijk-lijsten van 1799[1] en de volkstelling van 1812 waren, met een enkele uitzondering, geboren in Bergen op Zoom. Hun echtgenotes, voornamelijk schippers- en vissersdochters, waren eveneens van Bergse afkomst. Huwelijken tussen schipperszoons en potmakersdochters en ook tussen schippersdochters en potmakerszoons kwamen nog steeds voor. In elke publicatie over de Bergse potmakers kan men lezen over de innige banden in de voorgaande eeuwen tussen deze oude Bergse beroepsgroepen. De meeste schippers waren protestant, net als de vissers en de potmakers. Voor de verwoesting van de stad door de Fransen in 1747 was het grootste gedeelte van de bevolking protestant. Veel mensen waren weggetrokken maar de vissers, schippers en potmakers waren gebleven.[2] Nu had Bergen op Zoom steeds meer katholieke inwoners gekregen, een trend die na het midden van de achttiende eeuw was ingezet. Aan het eind van die eeuw waren de katholieken met 70 procent veruit in de meerderheid. Er was ook een aantal katholieke schippers. Huwelijken tussen protestante en katholieke schipperszonen en -dochters kwamen wel voor maar bleven zeldzaam. Het aandeel katholieke schippers is gedurende de gehele negentiende eeuw nagenoeg constant. Circa een kwart van de Bergse schippers was katholiek.[3]

[1] MHC, SA 2907 [Oud Stadsarchief in het algemeen 959]

[2] Härtel, Bergen op Zoom, 101.

[3] Gegevens uit de Volkstellingen van 1812, 1830 en 1840 en de Bevolkingsregisters van 1850/60, 1860/80 en 1880/90.

 

DE SCHEPEN VAN DE BERGSE SCHIPPERS 1812 – 1813

 

Er bestaat een lijst uit 1812-1813 waarop de schepen die de Bergse haven aandeden werden genoteerd.[1] Het gaat hier om 24 schepen waarvan er dertien een nummer hebben; dit is een aanwijzing dat ze ook in de visserij werden gebruikt. Van twee is het niet zeker of het wel om Bergse schippers gaat. In ieder geval worden zij niet genoemd in de Volkstelling van 1812.

[1] MHC, Archief Franse Tijd 1810-1814, Lijst van inkomende en uitgaande schepen 1812-1813, inv. Nr. 35.

 

LIJST VAN INKOMENDE EN UITGAANDE SCHEPEN 1812 - 1813

Van elf schepen op de lijst is het type niet bekend. Om te kunnen vergelijken met latere jaren is het nodig deze schepen onder te verdelen in tjalkachtigen en niet-tjalkachtigen. In het hoofdstuk over scheepstypen is uitgelegd waarom de schepen van onbekend type bij de tjalkachtigen kunnen worden ingedeeld. De zeven ponen uit deze lijst zijn allemaal wat kleiner dan de schepen van onbekend type, bovendien hebben zij een visserijnummer. Een bewijs dat ponen toen nog op vrij grote schaal in de visserij werden gebruikt. In de periode dat de visserij stillag werden zij ingezet in het vrachtvervoer.

 

 

71 procent van de schepen viel in de tonnageklasse 21 – 40 ton. Slechts drie schepen waren groter en maten 45 ton. De drie op de lijst voorkomende hengsten waren beneden de 10 ton. Het zal velen misschien vreemd voorkomen dat er geen grotere schepen te Bergen op Zoom thuishoorden. De maten van de Bergse schepen wijken echter niet af van wat elders gebruikelijk was. In 1815 viel bijvoorbeeld bijna de hele binnenvloot van Werkendam binnen de grenzen van 30 tot 60 ton.[1] Grote binnenschepen kwamen slechts weinig voor. Alleen de Rijnvaart kende schepen van honderden tonnen groot. Hierover later meer.

Op de grote doorgaande vaarwegen bedroeg het gemiddeld draagvermogen niet meer dan veertig ton. Dit cijfer gold zowel voor de vloot van Dordrecht, Werkendam en Den Bosch.[2] We zien dat slechts drie van de Bergse schepen in de tonnageklasse 41 – 50 ton vallen. We moeten ons niet vergissen, voor deze schepen was in die tijd een behoorlijk kapitaal nodig. Niet minder dan dertien schepen zijn voorzien van een visserijnummer. Net als in de zeventiende en achttiende eeuw hielden de vissers, wanneer de visserij stillag, zich bezig met het vervoer van allerhande goederen van en naar de Zeeuwse eilanden. De grens tussen beide beroepen is vaak moeilijk te trekken. Wel staat vast dat schippers met de grotere schepen die in de beurtvaart op belangrijke plaatsen voeren niet visten.

[1] Filarski, Kanalen van de Koning-Koopman, 44.

[2] Ibidem

 

VERVOLG KLIK Scheepvaart I - 6