RECHTSTREEKSE STOOMVAART OP BERGEN OP ZOOM

 

 

De Bergse schippers zagen vanaf 1823 steeds meer stoomschepen in hun vaargebied verschijnen. De vaart op Antwerpen had in de jaren van het conflict met België jarenlang stilgelegen. Na het eindverdrag met België in 1839 was het voor de Nederlandsche Stoom Boot Maatschappij (NSBM) mogelijk de dienst op Antwerpen te hervatten. De schepen die voorheen op Antwerpen voeren waren er nog wel maar die waren intussen ingezet op de Rijn en speciaal daarvoor verlengd om hun diepgang te verminderen. Daardoor waren ze ook slapper geworden en niet meer geschikt voor zware golfslag.[1]

De NSBM bracht nu de oude boot Stad Mainz in de vaart: het schip werd omgedoopt in De Schelde. Nu zag de Rotterdamsche Stoomboot Maatschappij (RSBM) kans om ook op Antwerpen te gaan varen. In plaats van een oud schip brachten zij het spiksplinternieuwe stoomjacht Laurens Coster in de vaart. De plaatsen die door dit schip werd aangedaan waren: Zijpe, Sas van Goes en Sloe (passagiers voor Middelburg en Vlissingen),. Eindbestemming was afwisselend Antwerpen en Terneuzen. Er ontstond nu een tarievenstrijd. Na drie jaar gooide de nieuwe Rotterdamse firma de handdoek in de ring. De NSBM kocht nu de Laurens Coster van de Rotterdamse firma op om te zorgen dat niemand anders hen er mee kon beconcurreren.[2]

Serieus werd het in 1846 / 47 want toen kwam er een stoombootdienst die Bergen op Zoom aandeed. Het was een samenwerkingsverband tussen Joh. Ooms Gzn & Co, cargadoors te Rotterdam , Fop Smit te Nieuw Lekkerland, H. Veder en J.F. Schuuren te Rotterdam. De firma voer met de stoomschepen Amicitia I en II .[3]

De NSBM zag in 1847 af van de vaart op Antwerpen en sloot een overeenkomst met de firma die de Amicitia I en II exploiteerde. Deze firma was bereid om tien jaar lang ƒ 20.000 aan de NSBM te betalen. Bergen op Zoom werd nu een stop tussen Rotterdam en Antwerpen. De schepen kwamen niet in de haven: zij meerden vrij kort aan ’t Hoofd. Met een gunstig tij deed zo’n boot de tocht tussen Antwerpen en Rotterdam in 6 uur en vijftig minuten.[4]

[1] De Boer, Het leven en bedrijf, 118.

[2] De Boer, Het leven en bedrijf, 144.

[3] De Boer, Het leven en bedrijf, 145.

[4] Nieuwe Rotterdamsche Courant, zondag 9 mei 1852, nr. 129, 2

 

L. A. Cuijpers uit Woensdrecht begon in 1855 met stoomboten Aymon Louise I en Aymon Louise II te varen, aanvankelijk tussen Rotterdam en Bergen op Zoom. De stopplaatsen waren: Dordrecht, Willemstad, Zijpe (voor Zierikzee), Iersekendam (voor Goes). Vanaf september 1855 voeren beide boten door naar Antwerpen. Cuijpers had gemerkt dat het varen op een tijhaven als Bergen op Zoom met een geregelde dienst erg lastig was. In een verzoek aan de gemeente Bergen op Zoom vroeg hij toestemming om die plaats niet langer aan te doen. Als argument voerde hij aan dat de Bergse haven moeilijk toegankelijk was.[1] De gemeente Bergen op Zoom deed verongelijkt en voerde aan dat de stoomboten Amicitia I en II geen moeite hadden om Bergen op Zoom aan te doen omdat dat altijd met hoogwater plaatsvond. De verdere route naar Antwerpen vormde voor beide stoombootondernemingen trouwens ook een probleem. Het varen langs Bath werd omschreven als varen ‘over het land van Bath’. De bezwaren om Bergen op Zoom te schrappen uit de vaarroute voor de schepen van Cuijpers werd door de gemeente afgewezen met het argument dat hun schepen te langzaam waren.[2] Dat was een flauwekulargument van de Bergse bestuurders. De stoomboten Aymon Louise I en II behoorden juist tot de snellere schepen. Een dienstregeling handhaven op de Zeeuwse tijwateren bleef moeilijk. We zagen al dat bij de start van de vaart met de Nederlander rond 1825 Antwerpen werd geschrapt bij ongunstig tij. Dan voer het schip op Nijmegen.

In een advertentie in de NRC van 2 maart 1856 valt de lezen dat de twee schepen van Cuijpers Bergen op Zoom voortaan oversloegen. De plaatsen die voor de dienst Rotterdam – Antwerpen werden aangedaan waren: Dordrecht, Steenekamer[3], ’s-Gravendeel, Willemsdorp, Willemstad, Ooltgensplaat, Dinteloord, Steenbergse Vliet, Zijpe, Stavenisse, Catsche Veer, Wolfaarstsdijk, Kortgene, Sloe, Vlissingen, Terneuzen, Hoedekenskerke, Walsoorden, Bath en Lillo. Waarschijnlijk is er tijdelijk een compromis geweest. Een advertentie in NRC 26 februari 1856 laat zien dat op bepaalde dagen Bergen op Zoom wel werd aangedaan en op andere dagen de route naar Antwerpen via het Sloe ging. Natuurlijk had dit met het tij te maken. In september 1856 lag het schip Aymon Louise no 1 te koop aan de voormalige Marinewerf te Rotterdam.[4] Hoe moeilijk deze stoombootdiensten het ook hadden, zij waren wel degelijk een bedreiging voor die Bergse beurtschippers die op Rotterdam, Dordrecht en Antwerpen voeren.

[1] Slootmans, De positie van Bergen op Zoom, 75.

[2] Ibidem.

[3] ‘Steenekamer’ was een gerenommeerde herberg in Zwijndrecht. Van hier vertrok ook van oudsher het veer op Dubbeldam. Het gebouw was in al 1848 afgebroken.

[4] Rotterdamsche Courant, no 227, woensdag 24 september 1856, 3. (op 16 februari 1857 werd het schip voor ƒ 8500.- verkocht naar België, het werd de Wilford I.)

 

De Bergse traditionele zeilende beurtvaart raakte steeds meer marktaandeel kwijt. Waren er in 1845 nog 17 beurtschippers, hun aantal was in 1850 tot 13 gezakt. Eind 1858 waren er nog 10 van over.[1] Tot dusverre lijkt het een klaagzang. In de bestaande literatuur wordt het midden van de negentiende eeuw als een belangrijk kantelpunt voor de binnenvaart gezien. Het kan dus geen kwaad om eens naar de financiële positie van de Bergse schippers te kijken.

           

Er waren rond 1850 / 1851 een drietal verkiezingen voor de Tweede Kamer, Provinciale Staten en Gemeenteraad. Het kiesrecht was afhankelijk van de te betalen belasting: het zogenoemde censuskiesrecht. De door Thorbecke tot stand gebrachte kieswet uit 1848 gaf 75.000 mensen kiesrecht op een bevolking van drie miljoen. Dat was twee en half procent. Op de totale Bergse bevolking van 8518 zielen in 1850 / 1851 bezaten 379 personen het kiesrecht. 22 van hen waren schipper. Dat komt neer op iets minder dan 4,5 procent. Dit percentage is hoger dan het landelijk gemiddelde. De census bedroeg in Bergen op Zoom ƒ 26 in de directe belasting.

 

BELASTINGSYSTEEM

De directe belasting bestond uit de grondbelasting en de personele belasting. Sinds 1826 werd de personele belasting geheven op onder andere: huurwaarde, deuren en vensters, meubilair, dienstboden, paarden en het aantal haardsteden. De grondbelasting was een heffing op de gebruikswaarde van onroerend goed.

 

Zonder de berekening van het patentrecht zouden twee schippers de census niet gehaald hebben. Het patentrecht was een belasting op het drijven van een nering. [2] Sommige beroepen kenden vrijstelling van het patentrecht. Dit laat zien dat twintig schippers alleen al voor de grond- en personele belasting boven de ƒ 26 belasting betaalden. In 1850 / 51 waren er naar schatting 33 schippers.[3] Twee derde van hen was dus kiesgerechtigd. Het gaat misschien te ver om deze schippers in te delen bij de welgestelden, maar ze kunnen zonder meer worden gerekend tot de redelijk gegoede lieden.

[1] MHC, Archief G.B. 1814-1925 rekest 16-09-1858

[2] De Mooij, ‘Rond de Kieswet’, 111-125.

[3] Zie pagina 81.

 

VERVOLG KLIK Scheepvaart I - 15