HOUTEN SCHEEPSTYPEN TE BERGEN OP ZOOM 1824

DAMLOPER EN DAMSCHUIT,

BOEIER EN BOEIERSCHUIT,

SCHOUW EN BEUNSCHOUW

 

 

HOUTEN SCHEEPSTYPEN TE BERGEN OP ZOOM 1824

 

 

In 1824 werd in Bergen op Zoom een staat van schepen en schuiten opgemaakt.  De Bergse schippers zijn te verdelen in zestien beurtschippers en acht schippers in de zogenoemde Brede Beurt. De twaalf overige vaartuigen, overwegend schouwen, zijn van de vissers die er buiten het visseizoen in de zogenoemde Brede Beurt vracht mee vervoeren. Opnieuw zijn er enkele scheepstypen die aandacht verdienen: damloper, damschuitje, boeier, boeierschuitje, schouw en beunschouw.


DAMLOPER en DAMSCHUIT                           [tjalkachtig]

 

De termen ‘damloper’ en ‘damschuit’ werden vaak door elkaar gebruikt. Aanvankelijk was een damloper een betrekkelijk klein schip dat met een overhaal, ook overtoom genoemd, over de dam getrokken kon worden. Het waterpeil van de ene kant van een dam was hoger of lager dan aan de andere kant.  Een overhaal of overtoom bestond dus uit een vaste waterkering - een dam - waar met een windas een schip de helling opgetrokken kon worden. Eenmaal boven gleed het schip aan de andere kant weer te water. In 1648 werd de overtoom in Leidschendam vervangen door een sluis.

 

‘Voerende een poonschuitje met een paviljoen, anderswel genaamd een Damloopertje, genaamd De Jonge Maria.’ [1]

 

Een damloper of damschuit was nu een schip geworden dat door ‘den Leydschendam’ kon. De Leidschendam was een sluis met aan beide zijden een hefdeur. De doorvaarthoogte was slechts 2.20 meter en de doorvaartbreedte 3.80 meter. Deze beperking heeft bestaan tot het gereedkomen van de nu nog bestaande sluis in 1887.[2] De noodzaak om met een damschuit te varen verviel hierdoor. Jan Oosterwaal (Waspik 1764-1858) eigenaar van een damloper, was beurtschipper vanuit Bergen op Zoom op Schiedam, Delft en Den Haag.[3] Voor hem was het misschien handig om via ‘den Leydschendam’ naar Leiden te kunnen doorvaren. Grotere schepen die van Delft naar Leiden wilden varen moesten via de Gouwe.

[1]  Oprechte Haarlemsche Courant. 03--6-1777

[2] Arents, Sluizen en stuwen, 20.

[3] MHC, Archief G.B. 1814-1925, inv. nr. 3037 (1824)

 

De sluiskom te Leidschendam door Paulus Constantijn la Fargue (1729-1782)  www.rijksmuseum.nl 

Op de achtergrond het gebouwtje waarin de opgehaalde sluisdeur hangt. Kijkrichting is naar Voorschoten.


Tijdens de aanleg van de sluis in 1887 kon de scheepvaart op de gebruikelijke wijze doorgaan. Rechtsonder de schaduw van de constructie waarmee de hefdeur werd gehesen. Kijkrichting naar Leiden. Het schip op de voorgrond gaat richting Voorschoten/Den Haag.

 Foto: Henri de Louw, collectie Erfgoed Leiden en Omstreken.

Uitsnede van de foto hierboven. Damschuiten moesten hier onderdoor kunnen.

Opnieuw een uitsnede van dezelfde foto. De benaming damschuit had eigenlijk niets te maken met het type. Zo waren er ook damkraken en poonschuiten waarvan vermeld werd dat ze geschikt waren voor de Leidschendam. Voorwaarde was een strijkbare mast. 

BOEIER en BOEIERSCHUIT                                      [tjalkachtig]

 

Dit tjalkachtige vrachtscheepje was vrij rond gebouwd en hooggetuigd. Het werd in Bergen op Zoom gebruikt als beurt- of vrachtscheepje op de kleinere Zeeuwse havens. Het leek veel op de huidige boeier, het rondspantjacht. Deze boeier moet niet verward worden met het zestiende-eeuwse zeeschip van dezelfde naam en ook niet met de boeieraak die in de tweede helft van de negentiende eeuw in de oestercultuur gebruikt werd. In 1824 bezaten twee Bergse schippers een boeier en in 1872 was dat aantal gegroeid tot acht.[1] De gemiddelde grootte was 25 ton, de kleinste mat 15 en de grootste 37 ton. In 1844 was Arie Voerhans (1811-1863) uit Bergen op Zoom beurtschipper op Vlissingen. Hij vervoerde koopmansgoederen en passagiers met de 17 ton grote boeierschuit De Vrouw Geertruida.[2]

[1] MHC, Archief G.B. 1814-1925, inv. nr. 1648.1

[2] MHC, Archief G.B. 1814-1925, brief 2 februari 1884.

 

Boeier of boeierschuit  reconstructietekening © Kees Touw

Ansichtkaart beschikbaar gesteld door Hein Sommer. Het schip zou de boeierschuit De Vrouw Josephina

van Gerrit Willem van Dort kunnen zijn. Zie ook VAN DORT 2


       

SCHOUW en BEUNSCHOUW                   [niet-tjalkachtig]

 

De Bergse schouw was een overnaadse aak en behoorde tot de niet-tjalkachtige scheepstypen. Het type is ook bekend als Zeeuwse schouw, Thoolse schouw en schouw van Phillippine. Te Tholen werd in 1885 een schouw gebouwd voor schipper Van Dort uit Bergen op Zoom.[1] Gezien het feit dat er aan de Noord Bergse schouwen werden gebouwd voor vissers uit Phillippine wekt het vermoeden dat er geen belangrijke verschillen zullen zijn tussen Zeeuwse, Phillipiense, Thoolse en Bergse schouwen. Zie kadertekst Bergse schouw. De meeste schouwen in Bergen op Zoom werden gebruikt door de vissers, maar enkele werden ook ingezet voor het vervoeren van vracht. Twee Bergse beurtschippers maakten gebruik van een schouw. Dat waren in 1824 Anthony Mijsberg (1788-1843) beurtschipper op Oude Tonge en Daniel Touw (1788-1866) beurtschipper op Wemeldinge en Iersekedam.[2] De gemiddelde grootte in 1824 was 16 ton, de kleinste mat 10 en de grootste 21 ton. De beunschouw uit de lijst behoorde toe aan de vanuit Bergen op Zoom opererende maar oorspronkelijk uit Werkendam afkomstige ventjager Jacob Nederveen (Werkendam 1772-….).[3] Deze schouw was 24 ton groot. Een ventjager brengt levende vis naar de plaats waar die verkocht moet worden. Een beun dient om de gevangen vis in leven te houden. De beun maakt deel uit van het schip en kan bestaan uit twee dwarsscheepse schotten. De onderzijde van de beun is het vlak van het schip dat voorzien is van gaten zodat het water er vrij in kan stromen. Nederveen had vier dochters die allen met een Bergse schipper trouwde. Het gevolg was dat heel veel Bergse schippers van hem afstammen.

 

BERGSE SCHOUW

Op 29 november 1798 wordt het schip van Cornelis Marinusz van Boven als ’s Lands poon door convooien en licenten in dienst genomen om als ‘uitlegger’ te fungeren bij Bath. Hij moet dan ook twee recherchevaartuigen of kruisers commanderen. Een van die vaartuigen was een ‘Bergse schouw’ van 30 voet lang en 10 voet breed.[4]

In 1814 bouwde Cornelis Smit (1784-1858) op een nieuwe werf zijn eerste schip, een bergse schouw, voor Cyrus Nicolai uit Phillippine. Lang elf meter twintig en breed drie meter tien.[5]

 

In 1824 hoorden er vijftien schouwen thuis te Bergen op Zoom. In 1894 zijn de dagen van de schouw geteld want dan zijn er nog maar vier bij de vissers in gebruik.[6] De laatste Bergse schouw, de BZ 1 uit 1830, werd in 1958 gesloopt.[7]

[1] Beylen, Zeeuwse vissersschepen, 46.

[2] MHC, Archief G.B. 1814-1925, inv. Nr. 3037

[3] MHC, Archief G.B. 1814-1925, inv. Nr. 3839

[4] Zie www.genealogieonline.nl/stamboom-van-boven

[5] Belder, De Ouwe werf, 16 en173.

[6] MHC, Archief G.B. jaarverslag 1894.

[7] Van Beylen, Zeeuwse visserschepen, 45 en 69.

 

Zeeuwse of Tholense schouw

Een sprietgetuigde Zeeuwse Schouw Elisabeth. Gebouwd in 1907 op de werf van De Klerk te Hontenisse. Het schip heeft van 1907 tot 1930 gevaren als veerschip tussen Veere en Kamperland. In 2007 gerestaureerd en tegenwoordig beschikbaar voor vaartochten met kleine groepen. Meer informatie op: http://www.betje.info  Foto beschikbaar gesteld door Stichting 'Zeeuwse Schouw Elisabeth'.

  

Beide bovenstaande foto's zijn van J. van Beylen en gemaakt in 1951 te Bergen op Zoom in de oude Vissershaven.

De schouw is van Landa. Foto's  WBA beeldbank Bergen op Zoom.

 

VERVOLG KLIK  OTTER, PLEIT EN AAK

OF TERUG NAAR  OTTER, PLEIT EN AAK

Maak jouw eigen website met JouwWeb